"Ik wankel nog steeds voorwaarts; weliswaar een stuk trager dan me eigenlijk lief is, want ik verander langzaam maar zeker in een zak met krakende botten - maar u ziet: ik drijf nog altijd graag de spot en vooral met mezelf”.
- "Het tuinieren en autorijden liet ik al een paar jaar geleden achter me. Sinds kort geldt dit ook voor het lezen. Dat heb ik altijd graag en veel gedaan. Maar helaas ben ik mijn gezichtsvermogen vrijwel helemaal kwijt".
-
"Zo struikelde ik laatst in de hal nog over een lijk. Dat bleek mijn bovenbuurvrouw te zijn. Ik had haar niet zien liggen. Hier tegenover woont een ervaren verpleegster. Die heeft haar nog met een hartmassage proberen te redden, maar zonder resultaat. Ook het personeel van de ambulance heeft tevergeefs nog vanalles geprobeerd”.
-
"Zo struikelde ik laatst in de hal nog over een lijk".
“De begrafenis werd druk bezocht en was uitstekend verzorgd. De bovenbuurman heeft zijn leven bewonderenswaardig herordend en hernomen. En sinds kort beschik ik over Rein. Die neemt mij alle huishoudelijke werkzaamheden uit handen. Maar mijn boodschappen blijf ik zelf doen tot ik dat echt niet meer kan. Hier in de straat beginnen de mensen eraan te wennen dat mijn suikerziekte zo nu en dan toeslaat. Af en toe stort ik opeens in elkaar en vegen ze me even later allervriendelijkst weer op”.
“Ik heb altijd erg veel gesnoept”.
“Nu ik bijna 85 ben, bevind ik mij in een levensfase die geen nieuwe inzichten meer met zich meebrengt. Mij staat niets anders te doen dan te aanvaarden dat ik steeds verder aftakel. Met mijn suikerziekte valt voor mij goed te leven, zozeer zelfs dat het de specialist heeft verrast. Ik hou me dan ook nauwgezet aan zijn voorschriften. Daarin schijn ik een vrij zeldzame uitzondering te zijn. Ik heb altijd erg veel gesnoept. Hele scheepsladingen gebak zijn hier aan huis bezorgd. Maar ik kan uitstekend aanvaarden dat die tijd voor mij voorbij is”.
“Van jongs af aan weet ik wat het betekent om ziek te zijn. Aan de hand van mijn moeder bracht ik als kind veel tijd in wachtkamers van allerlei specialisten door. De ene was nog kaler en ongezelliger dan de andere: overal hetzelfde soort ongemakkelijke stoelen in rijtjes langs de wanden en oude, saaie tijdschriften schots en scheef op een armoedig tafeltje. Al snel wist ik: dat kan een stuk beter”.
"...gewoon voor mijn eigen plezier
in mijn eigen wachtkamer..."
in mijn eigen wachtkamer..."
"Ik zal zo’n jaar of 20 zijn geweest toen een vriend me vroeg wat ik met mijn leven wilde. ‘Een wachtkamer’, zei ik tot zijn verbazing. ‘Een wachtkamer waarvoor?’, wilde hij weten. “Dat weet ik zelf nog niet’, was het enige dat ik hem kon zeggen. Dat vond hij nogal vreemd en daar hebben we samen nog om gelachen. Maar uiteindelijk is die wachtkamer de rode draad door mijn leven geworden. Want 40 jaar geleden kreeg ik er zelf een".
"Daar heb ik meteen veel werk van gemaakt. Mensen konden er op hun gemak aan een laag tafeltje gaan zitten in een van de twee behaaglijke leunstoelen, maar ze konden ook aanschuiven aan een hogere tafel met 4 stoelen er omheen. Op de tafels lag een mooi kleedje met een asbak erop en mijn bezoekers konden de laatste afleveringen inzien van 6 tijdschriften waarop ik was geabonneerd. En elk kwartaal veranderde ik een of meer abonnementen. U moest eens weten hoeveel van mijn vrije tijd ik gewoon voor mijn eigen plezier in mijn eigen wachtkamer heb doorgebracht. Dat is dus een kinderwens die ik heb weten waar te maken”.
"Daar heb ik meteen veel werk van gemaakt. Mensen konden er op hun gemak aan een laag tafeltje gaan zitten in een van de twee behaaglijke leunstoelen, maar ze konden ook aanschuiven aan een hogere tafel met 4 stoelen er omheen. Op de tafels lag een mooi kleedje met een asbak erop en mijn bezoekers konden de laatste afleveringen inzien van 6 tijdschriften waarop ik was geabonneerd. En elk kwartaal veranderde ik een of meer abonnementen. U moest eens weten hoeveel van mijn vrije tijd ik gewoon voor mijn eigen plezier in mijn eigen wachtkamer heb doorgebracht. Dat is dus een kinderwens die ik heb weten waar te maken”.
“Achteraf bekeken had ik toch liever een loopbaan in de sportwereld gehad. Daar was ik was gewoon goed in. Het maakte weinig uit in welke tak van sport. Ik trainde al heel jong met waterpolo-internationals mee en met afstandzwemmen haalde ik de nationale top. Met hockey schopte ik het eveneens tot de nationale selectie en na mijn studie heb ik in Engeland een jaar als professional in de cricket-competitie meegespeeld. Ook tennissen ging me niet slecht af".
"Begrijp me goed: mijn sportsuccessen kreeg ik niet cadeau. Daar heb ik veel voor moeten doen en nog meer voor moeten laten. En voordat ik mijn overwinningen behaalde, heb ik eerst heel veel verliezen moeten incasseren. Maar de wil om te winnen gaf me er echter voldoende aardigheid in om vol te houden en door te stoten”.
"Begrijp me goed: mijn sportsuccessen kreeg ik niet cadeau. Daar heb ik veel voor moeten doen en nog meer voor moeten laten. En voordat ik mijn overwinningen behaalde, heb ik eerst heel veel verliezen moeten incasseren. Maar de wil om te winnen gaf me er echter voldoende aardigheid in om vol te houden en door te stoten”.
“Tegen zoveel moederliefde kon hij op den duur toch niet op”.
“Met haar godsdienstwaanzin slaagde mijn moeder er echter in om een streep door mijn sportcarriére te halen. Veel sportwedstrijden vonden ook in mijn jeugd al op zondagen plaats. En dat was voor haar De Dag des Heere. Alles wat op en rond sportvelden plaatsvond, was daarmee des duivels voor haar én voor het clubje godsdienstgekken, dat zij in haar familie en uit haar vriendenkring om zich heen had verzameld. Die kwamen op zijn minst eens per week bij ons thuis om God de Heer dansend en zingend te loven. Niet voor niks verschenen ze telkens zogenaamd toevallig tegen etenstijd. Dan konden ze ook gratis een hapje meeprikken. En tijdens de maaltijd ging het dan voortdurend over de ellendige zondeval van deze beklagenswaardige wereld”.
“Niet alleen ik kon daar op den duur niet tegen op. Ook mijn beide broers hebben daarmee getobd, de oudste het zwaarst. Drie neven en nichten hebben er op latere leeftijd zelf een eind aan gemaakt. Een daarvan was mijn neef Arie. Zijn moeder maakte deel uit van de sekte die mijn mama rond zichzelf had gevormd. Arie was ongeveer van mijn leeftijd en legde al snel een opvallend talent als pianist aan de dag. Ik heb nog regelmatig met hem gezongen. Hij had zijn zinnen op het conservatorium gezet, maar kreeg geen schijn van kans. De wereld van de muziek was natuurlijk nog veel demonischer dan die van de sport. Door zijn ijskoude moeder werd hij doodgewoon in haar groothandel geplant om in de naam van God lappen stof te verhandelen. Pas op zijn drieënvijftigste hing Arie zichzelf op. Tegen zoveel moederliefde kon hij op den duur toch niet op”.
-
-
"...met een wolf in een kooi..."
"Ik was 18 toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak en ik mijn diploma eindexamen HBS-B had behaald. Ik wilde doorstuderen. Daarvoor had ik Grieks en Latijn nodig. Ik was van plan om over te stappen naar Gymnasium, maar moest onderduiken met het oog op de Arbeitseinsatz. Dat onderduiken stelde in mijn geval weinig voor. Op die ene avond na, waarop iemand uit het ondergrondse verzet me vroeg om op de uitkijk te gaan staan. Nooit eerder in mijn leven was ik zo intens bang. Voor het overige bewoog ik me gewoon alsof er geen Duitse bezetting bestond. En vraag me niet waarom, maar er is me nooit naar mijn papieren gevraagd”.
“Later leerde ik dat er twee soorten angst zijn. De ene is aangeboren en nuttig. Die wordt door onze oosterburen Furcht genoemd. Zij jaagt je op de vlucht als er werkelijk gevaar dreigt. En dan is er nog het hele scala aan angsten dat ons is aangeleerd. Die werken niet in ons belang, want ze verlammen alleen maar. Om de Furcht aan den lijve ter ervaren, heb ik jaren later, tijdens mijn studie, met toestemming van de directie van Artis na sluitingstijd nog eens een poosje met een wolf in een kooi doorgebracht”.
“...de liefde van mijn leven...”
“Met behulp van privé-lessen op allerlei betrouwbare adressen heb ik mijn Grieks en Latijn tijdens de laatste oorlogsjaren doorgezet. Een paar maanden voor de bevrijding werd ik op beide vakken geëxamineerd en werd ik toegelaten tot de universiteit. Eerder had ik toen al de liefde van mijn leven ontmoet. Onze interesses sloten over de hele linie wonderwel op elkaar aan. Elly was Joods en koos voor haar ouders. Die hadden besloten om gehoor te geven aan een oproep van de Duitsers om op transport te worden gesteld. Elly vond dat zij hen diende te vergezellen. Na haar vertrek heb ik nooit meer enig levensteken van haar ontvangen".
"In feite heb ik de rest van mijn leven op haar terugkeer gewacht. Ik zou haar onmiddellijk alsnog ten huwelijk vragen als ze nu aan zou bellen”.
"In feite heb ik de rest van mijn leven op haar terugkeer gewacht. Ik zou haar onmiddellijk alsnog ten huwelijk vragen als ze nu aan zou bellen”.
“In de loop van mijn leven heb ik nog wel kortstondige relaties met enkele dames mogen smaken. Die verliepen over het algemeen naar wederzijdse tevredenheid. Maar ze boden mij niet wat ik ten diepste zocht. Dus liet ik de ochtend erna bij wijze van afscheid een mooi boeket bloemen bij hen bezorgen”.
“Na de bevrijding heb ik me tot alle denkbare instanties gewend om te weten te komen waar Elly was gebleven. Overal kreeg ik nul op rekest. Pas een half jaar na de oorlog hoorde ik wat er zich allemaal in de concentratiekampen had afgespeeld en moest ik aannemen dat ook zij daar haar eind heeft gevonden. Op dat moment verloor ik mijn vertrouwen in de mensheid".
-
"Dit heeft zich daarna nooit meer hersteld en dat heb ik de rest van mijn leven als een last met me mee gedragen. Natuurlijk maakt iedereen het vaker mee dat vertrouwen wordt geschonden, maar dit speelde voor mij op een zeer diepe laag. Ik herinner me nog goed hoe ik me afvroeg of ik nou zo dom was, dat ik nooit een woord had gehoord of gelezen over die massale moordpartijen”.
-
"Dit heeft zich daarna nooit meer hersteld en dat heb ik de rest van mijn leven als een last met me mee gedragen. Natuurlijk maakt iedereen het vaker mee dat vertrouwen wordt geschonden, maar dit speelde voor mij op een zeer diepe laag. Ik herinner me nog goed hoe ik me afvroeg of ik nou zo dom was, dat ik nooit een woord had gehoord of gelezen over die massale moordpartijen”.
“Uiteindelijk kwam zij in een gekkenhuis terecht".
“Ik was 28 toen ik mijn loopbaan als sporter aan de wilgen hing en me toelegde op het vak psychoanalyse. Tijdens mijn leeranalyse stortte ik opeens bewusteloos neer en liet ik mijn verleden achter me. Al mijn sportmedailles en -bekers gaf ik vervolgens aan de vuilnisman mee en met mijn moeder heb ik daarna voorgoed gebroken. Ik heb haar nooit meer gesproken in de meer dan 40 jaar dat ze nog leefde. Uiteindelijk kwam ze in een gekkenhuis terecht".
"Toen ze op haar 93ste op sterven lag, kwam mijn broer uit Zuid-Afrika over om afscheid van haar te nemen. Ik zei nog tegen hem dat dit volgens mij weinig zin had, maar bracht hem op zijn verzoek in mijn auto toch netjes naar het gesticht. Hij vroeg of ik met hem mee naar binnen wilde gaan, maar dat heb ik geweigerd. Ik zei:”Volgens mij sta je binnen 10 minuten weer buiten”.
"Dat was ook zo. Hij zei alleen maar:”Je had gelijk”. Ik ben nog wel naar haar begrafenis gegaan, want voor de dood wijkt alles. Maar een uur later was ik weer gewoon aan het werk”.
"Dat was ook zo. Hij zei alleen maar:”Je had gelijk”. Ik ben nog wel naar haar begrafenis gegaan, want voor de dood wijkt alles. Maar een uur later was ik weer gewoon aan het werk”.
“Voordat ik mijn eigen praktijk opende, begon ik 45 jaar geleden als psychotherapeut bij het alcoholbureau. De psychiater daar was een wijs en rustig man. Die leerde me al snel:”Je denkt toch niet dat er ook maar eentje op jouw initiatief de fles laat staan? Aanvaard nu maar dat de meesten zich gaandeweg bij wijze van spreken gewoon voor je ogen dood zullen zuipen. Je kunt alleen maar echt wat betekenen voor de enkelingen, die ontdekken dat ze in een neerwaartse spiraal volstrekt ten onder gaan en daarom het drinken nog net op tijd staken”. Sindsdien heb ik van aanvaarden voor mezelf een zo groot mogelijk nummer gemaakt”.
“Mijn werk had wel wat weg van de vuilnisophaaldienst”.
“Psychotherapie is gesprekstherapie. Mijn gereedschap bestond dus uit woorden. Maar dat zijn ze voor praatjesmakers en kletsmeiers ook. Die munten echter uit door loos en vrijblijvend taalgebruik. Dat kon ik mij geen moment niet permitteren. Ik heb mijn werk altijd met chirurgische precisie gedaan. Dus sprak ik duidelijke taal, zei ik zo exact mogelijk waar het volgens mij op stond en draaide ik nooit om de hete brij heen”.
“Ik koos er doelbewust voor om mensen vanaf het eerste moment precies te laten weten waar ze met mij aan toe waren. Daarom zette ik bij de opening van mijn praktijk een bord in mijn voortuin met daarop goed leesbaar:“Psychotherapie voor adolescenten en volwassenen met neurotische gedragsstoornissen”.
"Dat riep hier en daar wel eens wat vragen op. Meestal was het voldoende om te antwoorden, dat ik me richtte op mensen die de puberteit al achter de rug hadden en die er dus ergens al achter waren dat je niet al je verwachtingen, behoeften of doelstellingen uit je kindertijd voetstoots kunt waarmaken, maar die - net als elk weldenkend mens - nog wel met de nodige vragen zaten over hoe ze nu verder het best door het leven konden gaan".
"Daar voegde ik dan nog aan toe, dat ik er mijn beroep van had gemaakt om over dergelijke vragen in alle rust een uurtje met hen van gedachten te wisselen, dat ze al te hinderlijke onzekerheden en angsten aan mij kwijt konden en dat mijn werk ergens dus wel wat had van de vuilnisophaaldienst”.
"Dat riep hier en daar wel eens wat vragen op. Meestal was het voldoende om te antwoorden, dat ik me richtte op mensen die de puberteit al achter de rug hadden en die er dus ergens al achter waren dat je niet al je verwachtingen, behoeften of doelstellingen uit je kindertijd voetstoots kunt waarmaken, maar die - net als elk weldenkend mens - nog wel met de nodige vragen zaten over hoe ze nu verder het best door het leven konden gaan".
"Daar voegde ik dan nog aan toe, dat ik er mijn beroep van had gemaakt om over dergelijke vragen in alle rust een uurtje met hen van gedachten te wisselen, dat ze al te hinderlijke onzekerheden en angsten aan mij kwijt konden en dat mijn werk ergens dus wel wat had van de vuilnisophaaldienst”.
“Na een aai over hun bol
sleurde ik hen onder mijn bureau door naar me toe”.
“We zitten allemaal wel eens opgezadeld met huisraad die we ooit aanschaften, maar waar we op een gegeven moment eigenlijk geen plaats meer voor weten en die we dan voorlopig maar even naar de kelder verhuizen. Voor het gemak vergeten we dan na verloop van tijd, dat het daar nog steeds ligt te wachten tot we er definitief iets mee doen. Zo gaat dat ook vaak met frustrerende ervaringen die we nog niet hebben verwerkt. We kennen allemaal de verleidelijke neiging om die opzij te schuiven en weg te drukken. Ook dan zijn we ons na een poosje er niet meer bewust van dat ze er nog wel altijd zijn".
"We kunnen echter alles bij elkaar zoveel naar de kelder van ons onbewuste verdringen, dat die op een gegeven moment overvol raakt. Onze frustraties stapelen zich daar dan zo op, dat ons onbewuste begint uit te puilen. Dit kan ons gedrag zo gaan verstoren, dat we minder doeltreffend reageren op situaties die van wezenlijk belang voor ons zijn. In dat geval gaan we gebukt onder neurotische gedragsstoornissen”.
"We kunnen echter alles bij elkaar zoveel naar de kelder van ons onbewuste verdringen, dat die op een gegeven moment overvol raakt. Onze frustraties stapelen zich daar dan zo op, dat ons onbewuste begint uit te puilen. Dit kan ons gedrag zo gaan verstoren, dat we minder doeltreffend reageren op situaties die van wezenlijk belang voor ons zijn. In dat geval gaan we gebukt onder neurotische gedragsstoornissen”.
“Verreweg de meeste mensen nemen die stoornissen voor lief en leggen zich er gelaten bij neer dat hun leven een veel teleurstellender wending neemt dan ze ooit voor mogelijk of wenselijk hielden. Dus maakte ik mijn bezoekers in het begin het terechte compliment, dat zij zich tot de weinige uitzonderingen mochten rekenen die daar niet zo maar genoegen mee namen. Nadat ik hen hiermee even over hun bol had geaaid, sleurde ik hen vervolgens onder mijn bureau door naar me toe, want trachtte ik hen er naar mijn beste vermogen toe aan te zetten om vastgeroeste denkbeelden te laten varen voor zover die niet in hun voordeel werkten”.
"In de wereld van het onbewuste spelen symbolen een rol van betekenis. Het kwam mij van pas, dat ik de taal van symbolen goed leerde verstaan. Daardoor kon ik met het onbewuste van anderen praten".
-
"Zo was hier eens een meneer die gedroomd had, dat zich uit een ontbijtbuffet in het Amstel Hotel een wesp verhief en dat beest nam vervolgens kolossale afmetingen aan. Ik zei:"De wesp in u is opgestaan. Kennelijk wordt het voor u tijd om eens wat stevige prikken uit te gaan delen. En dan mag u nog blij zijn, dat het geen bij was. Want die raakt na een enkele prik meteen zijn angel kwijt. Dat is bij een wesp niet het geval. Die kan blijven steken". Daar bleek die meneer echt vooruit mee te kunnen".
-
"In de wereld van het onbewuste spelen symbolen een rol van betekenis. Het kwam mij van pas, dat ik de taal van symbolen goed leerde verstaan. Daardoor kon ik met het onbewuste van anderen praten".
-
"Zo was hier eens een meneer die gedroomd had, dat zich uit een ontbijtbuffet in het Amstel Hotel een wesp verhief en dat beest nam vervolgens kolossale afmetingen aan. Ik zei:"De wesp in u is opgestaan. Kennelijk wordt het voor u tijd om eens wat stevige prikken uit te gaan delen. En dan mag u nog blij zijn, dat het geen bij was. Want die raakt na een enkele prik meteen zijn angel kwijt. Dat is bij een wesp niet het geval. Die kan blijven steken". Daar bleek die meneer echt vooruit mee te kunnen".
-
“Woorden alleen zijn bij lange na niet genoeg”.
“In de loop der jaren sloten zich twee jongere collega’s bij mij aan. Zij werkten ook met mensen die de adolescentie nog niet hadden bereikt. Toen ik samen met hen een maatschap vormde, klopte mijn klantenomschrijving op dat bord in de voortuin niet meer en hebben we ook dat van die neurotische gedragsstoornissen er maar vanaf gehaald. Toen had dat opschrift echter het meeste van zijn werk voor mij al gedaan".
"Over gebrek aan werk heb ik nooit hoeven klagen. Mensen wisten mij al snel in vrij grote getale en van heinde en verre te vinden. Ten behoeve van mijn praktijk heb ik nooit aan de weg hoeven timmeren. Alleen als ze bij de hockey- of tennisclub omhoog zaten, plaatste ik wel eens een ingezonden mededeling in hun blaadje. Zonder dat ik dat echt nodig had of mij dat iets opleverde. Maar daar ging het mijn natuurlijk ook niet om".
"Over gebrek aan werk heb ik nooit hoeven klagen. Mensen wisten mij al snel in vrij grote getale en van heinde en verre te vinden. Ten behoeve van mijn praktijk heb ik nooit aan de weg hoeven timmeren. Alleen als ze bij de hockey- of tennisclub omhoog zaten, plaatste ik wel eens een ingezonden mededeling in hun blaadje. Zonder dat ik dat echt nodig had of mij dat iets opleverde. Maar daar ging het mijn natuurlijk ook niet om".
“Woorden alleen zijn bij lange na niet genoeg om te bewerkstelligen dat iemand zich ook daadwerkelijk anders gaat gedragen. Daar bestaat alleen maar een reële kans op wanneer die woorden tenminste bezield en doorleefd zijn. Mijn geloofwaardigheid en mijn effectiviteit stond of viel dus met de vraag in hoeverre ik erin mijn slaagde om mijn eigen overtuiging na te leven. Dat heb ik dan ook gedisciplineerd naar de letter proberen waar te maken”.
“Mijn leven en werk vloeiden helemaal in elkaar over”.
“Mijn overtuiging vormde de grondslag voor mijn werk en voor de houding waarmee ik in het leven stond. Mijn werk en mijn leven vloeiden helemaal in elkaar over. Ik ben dankbaar, dat ik mij ook wat dat betreft in de voetstappen van Sigmund Freud en Carl Jung mocht voortbewegen. Hen reken ik tot mijn giganten. In hun schaduw past mij slechts bescheidenheid. Beiden drukten een blijvend stempel op mij, al was het alleen maar omdat ze allebei de moed hadden om zich dwars tegen heersende opvattingen in te buigen over de vraag wat ons als mensen ten diepste beweegt".
"Ze deden dat elk op hun eigen manier. Freud dook rechtlijnig op de kern af, Jung begon met grote omtrekkende bewegingen die hij steeds verder verkleinde tot er geen ontkomen meer aan zijn bevindingen was. Jung heb ikzelf nog mogen ontmoeten. In zijn voetsporen ben ik in mijn jongere jaren naar India gereisd en op een heuse expeditie naar de jungle van de Amazone geweest. Later heb ik hier jarenlang twee katers in huis gehad. De ene had ik Sigmund genoemd, de andere is als Carl door het leven gegaan”.
"Ze deden dat elk op hun eigen manier. Freud dook rechtlijnig op de kern af, Jung begon met grote omtrekkende bewegingen die hij steeds verder verkleinde tot er geen ontkomen meer aan zijn bevindingen was. Jung heb ikzelf nog mogen ontmoeten. In zijn voetsporen ben ik in mijn jongere jaren naar India gereisd en op een heuse expeditie naar de jungle van de Amazone geweest. Later heb ik hier jarenlang twee katers in huis gehad. De ene had ik Sigmund genoemd, de andere is als Carl door het leven gegaan”.
“…onmetelijke krachten…”
“Vanaf mijn studietijd heb ik er consequent naar gestreefd om zo volwassen mogelijk te worden. Ik heb het altijd als een groot voorrecht beschouwd dat je als mens het vermogen daartoe bij je geboorte in de schoot krijgt geworpen. Want het is dit vermogen, waarmee je je als mens wezenlijk van elk dier onderscheidt. Bij een beest blijft volwassen worden beperkt tot steeds meer van hetzelfde. Maar als mens heb je de mogelijkheid om uit te groeien tot een unieke eenling die in alle vrijheid en zelfstandigheid de volledige verantwoordelijkheid op zich neemt voor alles wat je uit eigen vrije wil doet en voor dat wat je achterwege laat”.
-
“Het helpt je om als mens volwassen te worden wanneer je tot je laat doordringen wat de overeenkomsten en de verschillen tussen een mens en een dier zijn. Net als elk dier wordt je ook als mens onder meer met instincten geboren. Dat zijn onmetelijke krachten die stuk voor stuk afzonderlijk worden gewekt door een prikkelende behoefte, van binnenuit dan wel van buitenaf. Hierbij gaat het telkens om een kortstondige impuls die onmiddellijk om bevrediging vraagt. Je ervaart het als een plezierige opwinding om daaraan toe te geven. Die opwinding verdwijnt wanneer je aan de impuls hebt voldaan. Op het moment dat het ene instinct naar voren treedt, is het de andere even volkomen de baas”.
“…bij de beesten af…”
“Die instincten erf je gewoon: vóór je geboorte doorloop je in de moederschoot alle ontwikkelingsstadia van het dierenrijk, van laag tot hoog. Je draagt in jezelf dan ook een complete dierentuin met je mee op het moment dat je ter wereld komt. Je wordt dus niet voor niets in je eerste levensfase een lekker diertje genoemd. Het beest in je is dan nog volledig de baas: bij honger of dorst brul je het uit en heeft de voedende borst zich maar aan te dienen - en heb je gepoept of geplast, dan krijs je net zo lang tot je wordt verschoond. Zo gauw als aan zo’n instinctieve eis is voldaan, ben je weer om op te vreten. Opwinding hoort bij de ontwikkelingsfase van een kind, dat zijn zin niet krijgt”.
“Ieder mens beschikt dus over instincten en bij iedereen werken ze precies hetzelfde. Je kunt je op zijn hoogst aanleren hoe je ze in je voordeel kunt laten werken. Want ook op latere leeftijd kun je als mens nog altijd tekeer gaan als een beest; kun je steken als een wesp, keffen als een hond, blaten als een geit, kraaien als een haan, brullen als een leeuw, tetteren als een olifant en neuken als een konijn; het komt in feite allemaal op hetzelfde neer en heeft niets te maken met je ontwikkeling tot een vrij en volwassen menselijk individu”.
“Je instincten zullen zich je leven lang nadrukkelijk blijven doen gelden. Je kunt ze niet overboord zetten. Ze zullen altijd aan je blijven kleven en zich blijven melden. Instincten dicteren exact wat ze van je willen. Ze zijn met geen mogelijkheid verkeerd te begrijpen: ze eisen dwingend dat je blindelings aan hun bevelen gehoor geeft en schrijven je slecht één bepaalde vorm van gedrag voor: zó en niet anders. Instincten staan je geen enkele vrijheid toe om te kiezen Naast de eenzijdigheid van instincten beschik je als mens echter ook over een eindeloos gevarieerd en complex gevoelsleven waarmee je je alle kanten op kunt bewegen”.
“Je instincten zullen zich je leven lang nadrukkelijk blijven doen gelden. Je kunt ze niet overboord zetten. Ze zullen altijd aan je blijven kleven en zich blijven melden. Instincten dicteren exact wat ze van je willen. Ze zijn met geen mogelijkheid verkeerd te begrijpen: ze eisen dwingend dat je blindelings aan hun bevelen gehoor geeft en schrijven je slecht één bepaalde vorm van gedrag voor: zó en niet anders. Instincten staan je geen enkele vrijheid toe om te kiezen Naast de eenzijdigheid van instincten beschik je als mens echter ook over een eindeloos gevarieerd en complex gevoelsleven waarmee je je alle kanten op kunt bewegen”.
“…het beest de baas…”
“Ieder dier blijft volledig gevangen in de ban van zijn instincten. Als mens begin je je pas van het dier te onderscheiden wanneer je het dierlijke in jezelf overwint en ontstijgt - niet omdat je dit van anderen moet, maar van binnenuit, helemaal uit jezelf. Je bent als mens pas volwassen wanneer je erin slaagt om je instincten aan banden te leggen, ze te dresseren en ze alleen nog maar uit te laten op momenten en manieren die jij zelf bepaalt. Volwassen worden als mens houdt in dat je het beest de baas bent, of dat zich nu in jezelf roert of dat het de kop opsteekt in het gedrag van anderen. Alleen dit stelt je als volwassen mens in staat om in iedere gegeven situatie telkens weer vrij en zelfstandig je gedrag te bepalen”.
“De belangrijkste instincten zijn voeding, zelfbehoud, de kuddegeest en sexualiteit. Ze zijn stuk voor stuk van een niets en niemand ontziende kracht. De geschiedenis laat legio voorbeelden zien van onmenselijke wreedheden die plaatsvonden als gevolg van hongersnood. En de aangeboren behoefte tot zelfbehoud meldt zich onmiskenbaar op het moment dat je je geboorte inzet door het veilige vlies vol moedervocht om je heen aan flarden te trappen. De kuddegeest heeft nuttige zaken voortgebracht, maar kent ook een vernietigende kant. Een frappant voorbeeld daarvan heb ik altijd gevonden wat de verloskundige Ignaz Semmelweiz in de 19de eeuw overkwam".
"Hij ontdekte dat het hoge sterftecijfer als gevolg van kraamvrouwenkoorts sterk terugliep nadat hij een aantal hygiënische maatregelen nam. Geen van zijn collega’s wilde daar echter ook maar iets van weten, zelfs niet nadat hij zijn bevindingen op eigen kosten in diverse talen had laten drukken en in verschillende landen had verspreid. Hij liep zo tegen de heersende kuddegeest op, dat hij volstrekt ten einde raad een eind aan zijn leven maakte. Kort daarna vond zijn methode overal ingang en dat geldt tot op de dag van vandaag”.
/
"Hij ontdekte dat het hoge sterftecijfer als gevolg van kraamvrouwenkoorts sterk terugliep nadat hij een aantal hygiënische maatregelen nam. Geen van zijn collega’s wilde daar echter ook maar iets van weten, zelfs niet nadat hij zijn bevindingen op eigen kosten in diverse talen had laten drukken en in verschillende landen had verspreid. Hij liep zo tegen de heersende kuddegeest op, dat hij volstrekt ten einde raad een eind aan zijn leven maakte. Kort daarna vond zijn methode overal ingang en dat geldt tot op de dag van vandaag”.
/
“...een slaatje uit een zalig eeuwig leven...”
-“We kennen allemaal de nauwelijks weerstaanbare drift om je voort te planten. Ik had hier eens een meneer die in zijn puberteit een vast vriendinnetje had met wie hij het, naar eigen zeggen, vrijwel dagelijks met veel plezier en volle overgave deed. Hij was echter voor het meiske op de loop gegaan, nadat zij hem almaar nadrukkelijker te kennen begon te geven, dat ze perse een kind van hem wilde. "Haar moeder noemde ons gekroel kinderspel en zo ervoer ik dat ook. Aan het vaderschap was ik in de verste verte nog niet toe", zei hij daarover. Nog geen twee maanden nadat zijn vriendin en hij uit elkaar waren, hoorde hij dat ze zwanger van een ander was geraakt. Dat ervoer hij als een vorm verraad:"Ik verkeerde in de veronderstelling dat het haar om mij te doen was. Maar ik bleek voor haar volstrekt inwisselbaar. Kennelijk was zij uitsluitend uit op mijn zaad". Pas veel later kon die meneer aanvaarden, dat hij voortijdig bij dat meisje een kracht had gewekt die het individuele onmetelijk overstijgt. Mensen brengen elkaar aanzienlijk minder schade toe wanneer ze dit soort spelletjes weten uit te stellen tot ze daadwerkelijk samen aan een kind toe zijn".
“De instinctieve behoefte om jezelf voort te planten vormt - en over je graf heen te blijven voortleven - draagt ertoe bij, dat je het leven ervaart als iets dat uit zichzelf eeuwig door wil gaan. Het begrip eeuwigheid vindt daarmee zijn oorsprong in het sexuele instinct. Niet voor niets hebben godsdiensten hier sinds mensenheugenis een slaatje uit proberen te slaan door je een zalig eeuwig leven in het vooruitzicht te stellen”.
“De instinctieve behoefte om jezelf voort te planten vormt - en over je graf heen te blijven voortleven - draagt ertoe bij, dat je het leven ervaart als iets dat uit zichzelf eeuwig door wil gaan. Het begrip eeuwigheid vindt daarmee zijn oorsprong in het sexuele instinct. Niet voor niets hebben godsdiensten hier sinds mensenheugenis een slaatje uit proberen te slaan door je een zalig eeuwig leven in het vooruitzicht te stellen”.
/
“…die huiveringwekkende toegangspoort naar die ene plek…”
/“Sexualiteit kent twee componenten die elkaar aanvullen. De mannelijke sexualiteit is een scheppende kracht: het mannelijke zaadcel doordringt de vrouwelijke eicel. De vrouwelijke sexualiteit is een reproducerende kracht: zij brengt nieuw leven voort. Een kenmerkend aspect van sexualiteit bracht Freud treffend onder woorden toen hij de vagina omschreef als “die huiveringwekkende toegangspoort naar die ene plek waar ieder van ons zich ooit volmaakt veilig heeft gevoeld”. Vanuit dat perspectief is het niet zo verwonderlijk dat we later in ons leven, op momenten die we als bedreigend ervaren, diep van binnen sterk naar die plek terug kunnen blijven verlangen".
"Dit verlangen naar veiligheid en geborgenheid kan ziekelijke vormen aannemen. We spreken dan van hysterie. Die term verwijst naar het Griekse woord voor baarmoeder. En precies op dat vlak houdt het scheppingsverhaal uit het Oude Testament ons duidelijk een spiegel voor. Hierin wordt de veiligheid van de baarmoeder vervat in het beeld van het paradijs. Nadat Adam en Eva daaruit worden verjaagd, verschijnt er achter hen een engel met een vlammend zwaard. Diens boodschap is niet mis te verstaan: terugkeer naar de veiligheid van de moederschoot is voor een volwassen mens verboden, op straffe des doods”.
"Dit verlangen naar veiligheid en geborgenheid kan ziekelijke vormen aannemen. We spreken dan van hysterie. Die term verwijst naar het Griekse woord voor baarmoeder. En precies op dat vlak houdt het scheppingsverhaal uit het Oude Testament ons duidelijk een spiegel voor. Hierin wordt de veiligheid van de baarmoeder vervat in het beeld van het paradijs. Nadat Adam en Eva daaruit worden verjaagd, verschijnt er achter hen een engel met een vlammend zwaard. Diens boodschap is niet mis te verstaan: terugkeer naar de veiligheid van de moederschoot is voor een volwassen mens verboden, op straffe des doods”.
“Ten onrechte wordt sexualiteit vaak op één hoop gegooid met liefde, terwijl die twee toch wezenlijk van elkaar verschillen. Daar waar we sexualiteit met het dierenrijk delen, vormt liefde een vermogen dat exclusief aan de mens voorbehouden is".
"Liefde houdt in, dat je tenvolle aanvaardt dat een ander anders is en dat ie dat van jou ook mag zijn. Dit ‘anders’ behelst de totaliteit van iemands persoonlijke kwaliteiten en omvat daarmee onvergelijkelijk veel meer dan de verschillen die in lichamelijk opzicht tussen mannetjes en vrouwtjes bestaan. Daar waar het sexuele instinct dwangmatig uit is op de bevrediging van de eigen impuls, stelt liefde zich in dienst van de ander. Liefde gedijt slechts wanneer mensen met wederzijds respect voor elkaars vrijheid en zelfstandigheid een duurzaam kontakt nastreven, dat ieder van hen alle ruimte laat voor het ontplooien van elkaars individuele kwaliteiten”.
"Liefde houdt in, dat je tenvolle aanvaardt dat een ander anders is en dat ie dat van jou ook mag zijn. Dit ‘anders’ behelst de totaliteit van iemands persoonlijke kwaliteiten en omvat daarmee onvergelijkelijk veel meer dan de verschillen die in lichamelijk opzicht tussen mannetjes en vrouwtjes bestaan. Daar waar het sexuele instinct dwangmatig uit is op de bevrediging van de eigen impuls, stelt liefde zich in dienst van de ander. Liefde gedijt slechts wanneer mensen met wederzijds respect voor elkaars vrijheid en zelfstandigheid een duurzaam kontakt nastreven, dat ieder van hen alle ruimte laat voor het ontplooien van elkaars individuele kwaliteiten”.
“Ook seks en gevoel worden maar al te vaak met elkaar verward. Het sexuele instinct is uitsluitend uit op het bevredigen van één enkele behoefte. Dat gaat telkens weer met een lichamelijke gewaarwording gepaard. Die neemt de vorm van opwinding aan. Die opwinding kent weliswaar verschillende gradaties, maar zij blijft beperkt tot een streven naar meer van hetzelfde tot er een ontlading op volgt".
"Ook een gevoel kan een lichamelijke gewaarwording met zich meebrengen. Dat doet zich voor wanneer een gevoel tot een emotie uitgroeit. Maar dat is dan ook meteen de enige overeenkomst tussen sexualiteit en gevoel. In elk ander opzicht heeft seks niks van doen met gevoel. Want gevoelens en emoties beperken zich niet tot één bepaald soort ervaring, maar waaieren over een immens scala aan varianten uiteen”.
"Ook een gevoel kan een lichamelijke gewaarwording met zich meebrengen. Dat doet zich voor wanneer een gevoel tot een emotie uitgroeit. Maar dat is dan ook meteen de enige overeenkomst tussen sexualiteit en gevoel. In elk ander opzicht heeft seks niks van doen met gevoel. Want gevoelens en emoties beperken zich niet tot één bepaald soort ervaring, maar waaieren over een immens scala aan varianten uiteen”.
“…ziekelijke genotzucht…”
“Net als elk dier ervaren we ook als mens de bevrediging van de behoefte om je voort te planten als een aangenaam neveneffect. Dit beantwoordt aan het typisch kinderlijke verlangen naar een bestaan dat uitsluitend leuk, lollig en lekker is. Juist op dat vlak brengt het leven gaandeweg vanzelf de nodige frustraties met zich mee. Een dier aanvaardt dit zonder meer als een onderdeel van zijn natuurlijke ontwikkeling. De mens is de enige diersoort waarvoor dit niet zo vanzelf spreekt: ons bewustzijn draagt ertoe bij, dat we naar onze kinderlijke illusie terug blijven verlangen. Dit verklaart waarom het alleen bij de mens voorkomt dat van het aangename neveneffect van de behoeftenbevrediging een op zichzelf staand einddoel wordt gemaakt".
"Sexuele kunstjes nemen daarmee de plaats in van de instandhouding van de soort. Als gevolg daarvan kunnen mensen verstrikt raken in een ziekelijke en onverzadigbare genotzucht. In kontakten met anderen zijn ze er dan eigenblijk alleen nog maar naar op zoek of ze sexueel wel voldoende lol met elkaar kunnen beleven. Alleen als dat het geval is, willen ze eventueel ook nog wel eens na denken over een relatie. Zij gaan ze er volstrekte ten onrechte vanuit, dat een relatie pas echt een kans van slagen heeft zolang ze elkaar sexueel kunnen behagen. Dit bevordert dat iemand liederlijk het beest uit gaat hangen. Door je beestachtig te gedragen doe jezelf als mens schromelijk tekort en ook anderen die je daarin betrekt. Een relatie tussen volwassen omvat nu eenmaal veel meer dan alleen maar sex en is aanzienlijk moeilijker te volbrengen dan welk sex-standje ook”.
"Sexuele kunstjes nemen daarmee de plaats in van de instandhouding van de soort. Als gevolg daarvan kunnen mensen verstrikt raken in een ziekelijke en onverzadigbare genotzucht. In kontakten met anderen zijn ze er dan eigenblijk alleen nog maar naar op zoek of ze sexueel wel voldoende lol met elkaar kunnen beleven. Alleen als dat het geval is, willen ze eventueel ook nog wel eens na denken over een relatie. Zij gaan ze er volstrekte ten onrechte vanuit, dat een relatie pas echt een kans van slagen heeft zolang ze elkaar sexueel kunnen behagen. Dit bevordert dat iemand liederlijk het beest uit gaat hangen. Door je beestachtig te gedragen doe jezelf als mens schromelijk tekort en ook anderen die je daarin betrekt. Een relatie tussen volwassen omvat nu eenmaal veel meer dan alleen maar sex en is aanzienlijk moeilijker te volbrengen dan welk sex-standje ook”.
“…verslaafd aan opwinding…”
“Zoals het dier een slaaf is van de instinctieve aandrang om zich voort te planten, zo kun je als mens verslaafd raken aan de opwinding en het genot waarmee dat gepaard gaat. Ik heb hier nogal wat mensen getroffen die krampachtig, verbeten en overspannen op jacht waren naar die ene ultieme ervaring waarbij alles moest verbleken wat ze eerder hadden meegemaakt. In het verlengde daarvan stak dan vaak verslaving aan drank en drugs de kop op. Al die vormen van ziekelijke genotzucht vergroten de kans dat kinderen niet in liefde worden verwekt, maar dat ze niet meer dan het gevolg van een lolletje zijn. Een dier zal het een zorg zijn hoe hij tot leven kwam, maar als mens is het uiterst frustrerend om achteraf onder ogen te zien dat je in feite niet meer bent dan het resultaat van een kunstje tussen je ouders”.
"Alcohol heb ik vrijwel nooit gedronken, op een enkel glaasje wijn tijdens een feestdiner na. Mij zag men niet vaak op feestelijke bijeenkomsten. Vrijwel iedereen loopt daar alleen maar mooi te doen. Dat is aan mij niet zo besteed. En nadat ik ooit tijdens een verjaardagspartijtje vertelde wat ik voor de kost deed, vroeg een kreukelig muurbloempje me wat het toch te betekenen had dat in haar dromen steeds weer wriemelende slangen de kop opstaken. De gezelligheid had er danig onder geleden wanneer ik haar ten overstaan van iedereen naar waarheid zou hebben geantwoord dat ze onmiskenbaar een schreeuwende behoefte aan een levendige piemel had. Nee, dan die meneer die ik hier eens over de vloer kreeg. “Ik ben door en door verrot”, was het eerste wat ie tegen me zei. Met zo iemand kwam ik tenminste meteen in mijn kracht".
“…al snel een stuk minder aantrekkelijk…”
“Ik heb hier nogal wat dames binnen zien komen die het tot op dat moment vooral dachten te moeten hebben van hun aantrekkelijke verschijning. Ik was daar niet zo vatbaar voor: in de loop van een paar gesprekken zag ik de een na de ander al snel een stuk minder aantrekkelijk worden. De meesten van hen luchtte dat merkbaar op”.
“Een mevrouw noemde het een heuglijk feit dat ze op de kop af twintig jaar bij mij in therapie was. Ze wilde dat graag met mij vieren en vroeg me of ze mij voor deze gelegenheid een kus op mijn beide wangen mocht geven. Ik tekende daar geen bezwaar tegen aan. Voor alle zekerheid heb ik daarna toch maar weer meteen de nodige afstand tussen ons gecreëerd door haar, wellicht ten overvloede, te wijzen op wat zich voltrekt wanneer twee koeien tegen elkaar aan gaan staan wrijven. Hun huid wordt dan alsmaar warmer en op het moment dat een bepaalde temperatuur overschreden wordt, vloeit daar vanzelf een gevecht uit voort. De mogelijke invloed van die ene kus op mijn wangen was daarmee in therapeutisch opzicht weer meer dan voldoende geneutraliseerd”.
“...elke vorm van opwinding liet ik achter me”.
“Wetenschappelijke proeven hebben onweerlegbaar aangetoond dat ratten voortijdig sterven wanneer je ze maar lang genoeg in staat van verhoogde opwinding houdt. Alleen al vanuit die optiek kan het overstelpende aanbod aan porno via internet niet echt als een zegen voor de mensheid worden beschouwd. Zelf weiger ik consequent om daar op mijn PC ook maar één blik op te slaan. Maar ook in ander opzicht krijgt niemand mij meer op de kast. Elke vorm van opwinding, die de wereld te bieden heeft, liet ik al geruime tijd achter me. Daarmee zag ik mezelf voor de lastige, maar onontkoombare taak gesteld om me geen moment langer te verzetten tegen alles wat er aan dwangmatigheden op mijn pad kwam. Alleen zo kon ik leren om die dwangmatigheden onbevangen voor me te winnen en ze in mijn voordeel te laten werken”.
“Privé ben ik in mijn eentje door het leven blijven gaan. Eenzaam werd ik daar echter niet van. Ik bewoog me namelijk steeds dichter naar de bron. Ik kan ook niet zeggen dat ik met mijn sexualiteit geworsteld heb; in tegenstelling tot die meneer die zich op latere leeftijd steeds meer zijn hoofd brak over de minder haakse hoek tussen zijn erectie en zijn buikwand. Hem kon ik slechts te verstaan geven dat op zo iemand de wereld volgens mij niet echt zat te wachten. En tijdens mijn verblijf in een ziekenhuis lag er op mijn kamer een meneer, die elke verpleegster met zijn ogen uitkleedde. Hem heb ik gevraagd of hij dacht dat dit bijdroeg tot zijn herstel”.
“…onnodig veel angst en onzekerheid…”
“Rond sexualiteit leeft onnodig veel angst en onzekerheid. Dit heeft er onder meer mee te maken dat er in de regel eenzijdig veel aandacht wordt besteed aan de verschillen tussen homo- en heterosexualiteit. Hierdoor raakt nogal eens op de achtergrond dat die wel degelijk een gemeenschappelijke noemer hebben. Bij beide draait het immers om sexualiteit”.
“Zo had ik hier eens een jonge man die volgens mij nogal worstelde met de alleszins gebruikelijke vragen rond zijn geaardheid, maar die sprak hij niet uit. Om een en ander boven tafel te krijgen, nodigde ik hem midden in een consult pardoes uit om eens een paar dagen bij mij te komen logeren in mijn vakantiehuisje. Aan zijn gezicht las ik af dat hij zich bijna verslikte van schrik. Ik zei:”Ik zie dat u zich afvraagt wat u in hemelsnaam op vakantie met die ouwe flikker moet, maar dat zegt toch echt meer over u dan over mij”. Daar hebben we allebei smakelijk om gelachen. Hierna kwam hij vanzelf meer los. Dat bezoekje tijdens mijn vakantie was toen nergens meer voor nodig”.
“Een kind is pas toe aan informatie over sexualiteit wanneer het daar uit zichzelf om vraagt, maar dan is het ook van doorslaggevend belang dat het antwoorden krijgt die ook echt verhelderend werken. Een meneer kreeg als jochie van 5 op een gegeven moment last van een klemmende voorhuid toen zijn piemeltje langs zijn onderboek schuurde. Dat jeukte nogal en dit probeerde hij te verhelpen door eraan te krabben, maar daar werd het natuurlijk niet minder van. Al snel stond hij stokstijf van pijn te huilen en durfde hij geen stap meer te verzetten. Zo trof zijn moeder hem aan. Zij nam hem mee naar de huisarts en die besloot tot een kleine, maar niet minder pijnlijke besnijdenis. Hij gaf de moeder zalfje mee om de naweeën regelmatig te verzachten. Na een paar dagen kon de moeder dat voorhuidje heen en weer schuiven zonder dat haar zoontje nog langer kermde. Voor haar leek het probleem voorgoed uit de wereld”.
“Jij zal later geen last met de meisjes hebben”.
“Dat pakte voor die meneer echter anders uit omdat zijn moeder op dat ogenblik ook nog voldaan tegen hem zei:”Jij zal later geen last met de meisjes hebben”. Verbaasd vroeg hij wat ze bedoelde, maar zij scheepte hem af met de dooddoener dat hij daar later nog wel eens achter zou komen. Juist door die gemeenplaats bleef dit incident telkens weer bij hem opspelen en dit dreef hem uit nieuwsgierigheid veel eerder dan zijn leeftijdsgenootjes – en ook veel eerder dan goed voor hem was - in de armen van de meisjes. Daar dacht hij al snel het antwoord op zijn vraag van destijds te hebben gevonden, want hij raakte er binnen de kortste keren heilig van overtuigd, dat hij inderdaad met een toverstafje was gezegend waar geen enkel ander slurfje zich mee kon meten. Aan die veronderstelling ontleende hij tientallen jaren een bovenmatig zelfvertrouwen, maar het kon haast niet anders dat die meneer op den duur nogal bedrogen uitkwam. Ook van zijn zelfvertrouwen bleef weinig over. Des te ironischer was het, dat zijn moeder tot haar laatste snik lastig bleef doen naar elke dame met wie hij een duurzame relatie probeerde op te bouwen”.
/
/
“…een beetje verdwaasd…”
-“Er treedt een ontwikkelingsstoornis op wanneer een kind wordt geconfronteerd met sexualiteit wanneer het daar in zijn ontwikkeling nog niet aan toe is. Dit kan traumatische gevolgen opleveren die vergelijkbaar zijn met die van een aanranding en verklaart waarom mensen ook op latere leeftijd op sexualiteit gefixeerd blijven. Zo had ik hier eens een mevrouw die als achtjarig meisje ’s avonds tijdens een logeerpartijtje door haar iets oudere nichtje bij de hand werd genomen om het piemeltje van een neefje te betasten. Op dat moment werd ze zich voor het eerst bewust hoe het andere geslacht letterlijk aanvoelde. Daar keek ze best even van op, maar de aardigheid zag ze er toen nog niet echt van in. Dus haalde ze er haar schouders over op en keerde ze dat nichtje en neefje de rug toe. Maar bij tijd en wijle dacht ze er nog wel een beetje verdwaasd aan terug".
"Twintig jaar later ontmoette ze een meneer die ze als de grote liefde van haar leven ervoer. Ze trouwde met hem, leek zich sexueel vrijelijk te ontplooien en schonk hem een kind. Maar wat die meneer haar sexueel ook te bieden had, voor haar beleving bleef er in bed iets aan mankeren en steeds nadrukkelijker fantaseerde ze er een vrouw als derde partner bij. Haar gezinsleven en haar huwelijk liep daardoor uiteindelijk finaal op de klippen. Dat sex-spelletje op haar achtste was haar dus duidelijk te vroeg overkomen”.
"Twintig jaar later ontmoette ze een meneer die ze als de grote liefde van haar leven ervoer. Ze trouwde met hem, leek zich sexueel vrijelijk te ontplooien en schonk hem een kind. Maar wat die meneer haar sexueel ook te bieden had, voor haar beleving bleef er in bed iets aan mankeren en steeds nadrukkelijker fantaseerde ze er een vrouw als derde partner bij. Haar gezinsleven en haar huwelijk liep daardoor uiteindelijk finaal op de klippen. Dat sex-spelletje op haar achtste was haar dus duidelijk te vroeg overkomen”.
“De manier waarop mensen omgaan met hun sexualiteit vormt telkens weer de bron van allerlei rare verhalen. Terwijl ik de vuilnisemmer op straat zette, liep er eens een jongen van een jaar of 16 langs die in het voorbijgaan aan me vroeg:”Zal ik jou eens lekker pijpen?” Ik wist meteen hoe het er thuis bij dat kind aan toeging. Die groeide op tussen de lullenzuigers en de pikkentrekkers. Ja, ik zei u al eerder: ik druk mij graag duidelijk uit. In de volkstaal vind je vaak een trefzeker inzicht terug. Neem het woord afrukken nou. Dat wijst op heren die zo overhoop liggen met hun fluitje dat zij dit het liefst van hun lichaam verwijderd zouden zien”.
/
/
“…een van hen tikte zelfs nog beleefd tegen zijn pet…”
/
/
“Hoezeer de sexuele beleving in het gedrang kan komen, bleek toen een dame tijdens een een consult op een gegeven moment opstond uit de stoel waar u nu in zit. Al pratend begon ze zich uit te kleden. Ze raakte dus duidelijk in de greep van machten die onmetelijk veel groter waren dan zij zelf. Ik vroeg haar bij herhaling vriendelijk of ze haar kleren weer gewoon aan wilde doen. Maar daar trok ze zich niets van aan. Uiteindelijk stond ze hier poedelnaakt van alles uit te kramen vlak voor mijn bureau. Pas toen ik opmerkte, dat ze zo wel eens een kou zou kunnen vatten, hield ze haar mond, kleedde ze zich pijlsnel weer aan en verliet ze zonder ook nog maar iets te zeggen mijn kamer".
"Een uur later belden twee agenten bij mij aan. Mevrouw was regelrecht naar het politiebureau gereden om een klacht tegen mij in te dienen. Ik zou geprobeerd hebben om haar aan te randen. Nadat ik die agenten rustig had uitgelegd hoe de vork in de steel zat en hoe iemand tot dergelijk wangedrag kan geraken, namen ze afscheid. Een van hen tikte zelfs nog beleefd tegen zijn pet”.
“Ook in ander opzicht wordt bij de mens een beroep gedaan op een kracht die rechtstreeks uit het dierenrijk stamt. Als kind word je al snel te verstaan gegeven, dat je onlosmakelijk deel uitmaakt van de menselijke soort. Daarmee word je voortdurend aangesproken op het kudde-instinct. Elke kudde streeft naar eenheid en homogeniteit en de eenvoudigste basis daarvoor is gelijkheid. In ruil daarvoor biedt de kudde warmte en weldadige gevoelens van zekerheid en geborgenheid. Goedkeuring door de kudde roept het plezierige en stimulerende gevoel op dat je juist handelt. De kuddegeest maakt je als mens van binnenuit sociaal en beloont je gevoelsmatig als je je aanpast: elke groepsimpuls ervaar je als instinctief, dus als iets dat vanzelf spreekt”.
“Van de kuddegeest gaat een hypnotiserende kracht uit. Een mevrouw kon het een tijdlang gewoonweg niet laten om het achter de rug van haar echtgenoot om aan te leggen met nagenoeg iedere man die bij hen thuis over de vloer kwam. Terugkijkend daarop zei ze daar zelf over:”Ik deed het in feite alleen maar omdat ik erbij wilde horen; ook mijn vriendinnen deden het vrijwel met iedereen. Voor mij had het ook te maken met mijn middelbare school. Ongeveer de helft van de meiden daar deed het met iedereen en de andere helft deed het nog helemaal niet. Ik hield het in die tijd bij één vast vriendje. Daarmee viel ik al min of meer tussen de wal en het schip. Dat werd er niet minder op toen het met dat vriendje uitraakte en ik besloot: dit wil ik niet nog een keer meemaken”.
“…om erbij te horen…”
“De kudde kan zich verzekeren van de voordelen die homogeniteit biedt, omdat al haar leden gevoelig zijn voor het gedrag van hun soortgenoten. Zonder aansluiting bij de kudde ervaar je je persoonlijkheid als incompleet. Plichtsbesef, schuldgevoel en geweten zijn typische resultaten van het kudde-instinct in de mens. Alles wat de afstand tot de kudde benadrukt, beleef je als onbehaaglijk, verkeerd, boosaardig, gek of zelfs als onmenselijk. Van uiteenlopende suggesties wint de aanbeveling die het best de stem van de soort vertolkt. Dit instinct stimuleert alle eigenschappen die het kuddedier nodig heeft in de strijd om het voortbestaan van de soort: morele kracht, enthousiasme, moed, volharding en ondernemingszin. Het kudde-instinct maakt het efficiënt opzetten van aanval en verdediging mogelijk. Vooral in tijden van oorlog komt dit de soort goed van pas”.
“…het dictaat van de soort…”
“Het kudde-instinct appelleert aan het diepe verlangen naar baarmoederlijke veiligheid en zekerheid. Wat de kuddegeest betreft, kun je buiten het groter geheel eenvoudigweg helemaal niet bestaan en stel je nog minder dan niets voor. Zij eist van je dat je totaal in de kudde opgaat. Door je als eenling volledig te absorberen, ontneemt ze je elke mogelijkheid om je buiten de groep op te stellen. Dit instinct zorgt ervoor, dat je eenzaamheid en isolement als een onnatuurlijke en onverdraagbaar wrede kwelling ervaart”.
“Binnen de kudde draait alles om het dictaat van de soort hoe je je volgens haar hebt te gedragen. Dit instinct maakt je afhankelijk van de leiding, gewoontes en dogma’s van de kudde en hecht geen enkel geloof noch enige waarde aan ervaringen die je opdoet buiten het collectief om. Als het alleen maar aan dit instinct zou liggen, wordt je gedrag als individu niet door je persoonlijke behoeften bepaald, maar uitsluitend door datgene waar de soort behoefte aan heeft. Als kuddedier ben je zwak wanneer het om persoonlijke initiatieven gaat en wantrouw je elke aansporing in die richting. Om dit te bereiken kent de kuddegeest genadeloze sancties”.
“…schrale troost...”
“Een meneer vertelde mij dat hij, drie maanden nadat hij als 11-jarige plaatsnam in de banken van de eerste klas van een middelbare jongensinternaat, zag hoe twee jongetjes in de rij naast hem zich besmuikt aan elkaar verlustigden over de vraag wie van hen het hardste piemeltje had. Tot zijn verbijstering werd hij de klas uitgestuurd en werd hem zelfs voorgoed de toegang tot het internaat ontzegd, hoe hij ook volhield dat hij alleen maar naar die twee andere jongetjes had gekeken en verder helemaal niets had gedaan. Dat hielp hem geen zier. Om de naam van dat internaat hoog te houden had de leiding er een vaste gewoonte van gemaakt om homosexuele gedragingen onder de leerlingen met wortel en tak uit te roeien door in het begin van het eerste leerjaar volstrekt willekeurig een of meer afschrikwekkende voorbeelden te stellen en men offerde daar zonodig volstrekt onschuldige jongetjes aan op. Het zegt veel over de kuddegeest, dat ook in dit geval geen van de klasgenootjes van die meneer ook maar een moment verzet aantekende tegen wat zich voltrok. Maar het zegt evenveel over de kuddegeest, dat die meneer door het gebeuren zo ernstig aan zijn geaardheid begon te twijfelen dat hij zich vanaf dat moment gebrandmerkt voelde om als homosexueel door het leven te gaan”.
“Hier was van toepassing wat Freud ooit zei: alles wat tot taboe wordt verklaart, moet ergens wel heel aantrekkelijk zijn, want anders was dat taboe nergens voor nodig. Toch bleef die meneer het maar een schrale troost vinden toen ik hem erop wees, dat ook de meesten van zijn klasgenootjes van destijds door het optreden van die schoolleiding voor de rest van hun leven hoogstwaarschijnlijk meer met hun sexuele identiteit hadden geworsteld dan hen lief was”.
-
-
“Communiceren is van het grootste belang voor het kuddedier”.
-
-
“De kudde legt je ernstige beperkingen op als individu. Want je mag dan weliswaar voorbestemd zijn om uit te groeien tot een volwassen, dus vrij en zelfstandig handelend mens, al je activiteiten en gevoelens blijven volgens je kudde-instinct toch zonder enige uitzondering hun oorsprong vinden in de groep. En het kudde-instinct vormt inderdaad de basis voor samenwerking, brengt teamspirit teweeg, zorgt voor hechte verbindingen, levert stabiele organismes op zoals bedrijven en staten en produceert gemeenschappelijke zaken zoals folklore en taal. Het kan haast niet anders of het ontstaan van de spreektaal moet in de vroege dagen van de mensheid tot een onmiddellijke toename hebben geleid van de mate waarin geboden van de kudde werden verspreid en van de sectoren waarop die van toepassing werden verklaard. Communiceren is van het grootste belang voor het kuddedier en de mens kan dat verfijnder dan welk schepsel ook. Hiervan getuigt de vrijwel ongeremd uitdijende en technisch steeds meer geperfectioneerde bedrijfstak die haar hele bestaan ontleent aan het bespelen en besturen van het kudde-instinct”.
“Vooral het bespelen van onderbuikgevoelens spreekt de kudde massaal aan. Esso deed uitstekende zaken door onderbuikgevoelens en sexuele potentie te bundelen in de slogan ‘Stop een tijger in je tank’. Die kreet werd Esso trouwens aangereikt door Bernard Bernays, net als ik opgeleid tot psychoanalyticus”.
“Puur voor de aardigheid...”
“Van het op die manier exploiteren van mijn vakkennis heb ik me altijd verre weten te houden, op één uitzondering na. Puur voor de aardigheid heb ik eens aan de eigenaar van een showroom vol extreem dure auto’s gevraagd of ik het eens als verkoper mocht proberen. Tot zijn stomme verbazing nam de aandrang van mensen om zo’n auto aan te schaffen hand over hand toe naarmate ik vaker langs mijn neus weg benadrukte, dat het toch eigenlijk wel heel veel geld was voor een verzameling blik op wielen”.
“Binnen mijn praktijk kreeg ik nogal wat mensen op bezoek die volslagen in de macht waren geraakt van geld. Die keken er telkens raar op hun neus als ik tegen hen zei:”U bezorgt mij het gevoel alsof ik tegen een zakje centen praat”. Van hun verwarring maakte ik gebruik door daaraan toe te voegen:”Geld is en blijft voor mij het slijk der aarde. Wie een zwemrecord wil breken, doet er handiger aan om in helder water te duiken en niet in de modder”.
“Vanaf het moment dat je bewustzijn zich ontwikkelt, worden je als kind aan de lopende band de dictaten van de kudde opgelegd, maar bekruipt je tegelijkertijd toch ook steeds meer het duistere en ongrijpbare gevoel dat daarmee iets niet helemaal in de haak is. Zo leer je bijvoorbeeld al vroeg dat eerlijkheid een groot goed is, maar zie je dat een verstokte leugenaar het verder schopt dan jij”.
“...een kopje suiker bij de buren…”
“Ik had hier eens een meneer die de eerste jaren van zijn huwelijk als één en al rozengeur en maneschijn had ervaren tot zijn echtgenote hem vroeg om een paar huizen verderop een kopje suiker te gaan lenen bij de buren met wie ze in de avonduren regelmatig gezellig een kaartje legden. Tot zijn schrik trof hij de buurvrouw huilend in haar eentje in haar keuken aan. Op zijn bezorgde vraag wat eraan scheelde, vertrouwde ze hem toe dat ze lichamelijk zo verschrikkelijk teveel tekort kwam bij haar echtgenoot, dat ze het af en toe echt niet meer uithield. Met de mededeling dat ze spijt als haren op haar hoofd dat ze ooit met hem getrouwd was, klemde de buurvrouw zich snikkend vast aan de borst van die meneer. Om haar te troosten sloeg deze een arm om haar heen en voor hij het goed en wel wist had hij haar even later gegeven waar ze zo hoognodig om had staan springen. Toen die meneer even later weer met dat kopje suiker in zijn eigen keuken stond, vroeg zijn vrouw meteen waar hij zo lang gebleven was. Die meneer was nog zo perplex, dat hij maar wat mompelde over een kopje thee dat de buurvrouw voor hem ingeschonken had en dat hij dat voor zijn goeie fatsoen niet had kunnen weigeren”.
“Alsof er geen vuiltje aan de lucht was zette zijn echtgenote nog diezelfde nacht haar hele assortiment aan vrouwelijk geschut in en al vrij snel daarna lag die meneer zich apegapend af te vragen waar hij al die zegeningen toch opeens aan te danken had. In die gemoedsstemming was hij er niet in het minst op bedacht dat zijn echtgenote nog totaal iets anders voor hem in petto had. Zij vlijde zich extra lekker tegen hem aan, fluisterde hem toe dat ze dit keer wel heel bijzonder van hem genoten had, streelde hem hier en daar nog wat na en begon ondertussen op haar meest onschuldige toontje te babbelen: dat ze uitkeek naar het volgende kaartavondje met die gezellige buren, dat ze het ook daarmee toch wel erg hadden getroffen, dat ze de indruk had dat hij ook goed met de buurvrouw overweg kon, dat die haar laatst had toevertrouwd dat haar man haar nauwelijks meer aanraakte en dat dit voor een jonge vrouw toch best lastig te verteren was".
-
"En toen sloeg ze toe: dat ze natuurlijk niet achterlijk was, dat ze allang in de gaten had dat de buurvrouw hunkerde naar een viriele man zoals hij, dat het haar niet ontgaan was dat hij daar niet helemaal ongevoelig voor was en als dat zo was, dat hij dat dan best tegen haar kon zeggen; dat ze goed snapte dat ie het ergens wel lastig vond om daarvoor uit te komen, maar dat hij niet bang hoefde te zijn dat zij daar niet tegen kon want eerlijkheid duurde toch het langst - en dat het daarom van het grootste belang dat ze in hun huwelijk tegen elkaar bleven zeggen wat hen van binnen bewoog, want dat het anders op den duur toch allemaal maar weinig zin had. Het koude zweet brak die meneer uit en een mengeling van schuldgevoel en verdriet maakte zich van hem meester. Hij brak in tranen uit, klampte zich aan zijn echtgenote vast en biechtte schokschouderend op wat dat kopje suiker allemaal met hem had gedaan”.
-
"Leren liegen alsof het gedrukt staat".
-"En toen sloeg ze toe: dat ze natuurlijk niet achterlijk was, dat ze allang in de gaten had dat de buurvrouw hunkerde naar een viriele man zoals hij, dat het haar niet ontgaan was dat hij daar niet helemaal ongevoelig voor was en als dat zo was, dat hij dat dan best tegen haar kon zeggen; dat ze goed snapte dat ie het ergens wel lastig vond om daarvoor uit te komen, maar dat hij niet bang hoefde te zijn dat zij daar niet tegen kon want eerlijkheid duurde toch het langst - en dat het daarom van het grootste belang dat ze in hun huwelijk tegen elkaar bleven zeggen wat hen van binnen bewoog, want dat het anders op den duur toch allemaal maar weinig zin had. Het koude zweet brak die meneer uit en een mengeling van schuldgevoel en verdriet maakte zich van hem meester. Hij brak in tranen uit, klampte zich aan zijn echtgenote vast en biechtte schokschouderend op wat dat kopje suiker allemaal met hem had gedaan”.
“Vanaf dat moment veroordeelde zijn vrouw hem tot levenslang en veranderde zij hun huwelijk en hun gezin in een hel. Alles wat met sexualiteit te maken had, deed ze daarna als viezigheid af. Die meneer vertelde mij met verstikte stem:”Ik wilde op dat moment schoon schip maken en zij wekte de indruk op mij dat ik wat dat betreft volledig op haar woorden aankon”. Ik kon die meneer alleen maar de raad meegeven, dat het voor hem hoog tijd werd om te leren liegen alsof het gedrukt stond”.
“Kom jij maar eens bij mij op schoot”.
“Er wordt je als kind voorgehouden dat je altijd rechtvaardig moet zijn, maar komt er vervolgens tot je schade en schande achter, dat dit in de praktijk van alledag niet meer dan een loos mensenbedenksel blijkt. Voorgangers van de kudde prediken vroom fatsoen en onbevlekte kuisheid, maar blijken het niet te kunnen laten om keer op keer de kat in het donker te knijpen”.
“Een meneer had werd op zijn 12de op weg van zijn middelbare school naar huis in de tram door een man in zijn kruis getast. Danig van slag vertelde hij dat tegen zijn moeder. Die wist zich geen raad en riep de vader erbij. Die gaf zijn zoontje eerst een klap voor zijn hoofd met de opdracht om zich te vermannen en belde daarna de rector van de school op met het dringende verzoek of die eens met zijn zoontje wilde praten. Dat gesprek vond de volgende dag plaats. Eerst trok de rector de gordijnen van zijn kamer dicht. Daarna zei hij:”Kom jij maar eens bij mij op schoot”. Met machthebbers en gezagsdragers lag die meneer nogal lang overhoop”.
“Om het maatschappelijk verkeer in geordende banen te leiden heeft het kudde-instinct een breed pallet aan morele voorschriften geproduceerd. Zo werd met “Eert uw vader en uw moeder” en “Over de doden niets dan goeds” het bespreken van traumatische ervaringen die kinderen met hun ouders opdeden tot taboe verklaard. Het niet kunnen luchten van die ervaringen kan de ontwikkeling van een mens echter ernstig in de weg staan. Binnen de beslotenheid van een psychotherapeutisch gesprek gaan dergelijke taboe’s dan ook overboord. Zo heb ik nogal wat bezoekers mogen wijzen op wat er geschreven staat over Jezus die op zijn twaalfde de huisdeur achter zich dicht trok zonder zijn ouders daarvan te verwittigen. Toen zijn moeder Maria hem miste, raakte ze nogal over stuur. Vol zelfbeklag vond ze hem terug in de tempel, waarop hij alleen maar zei:”Vrouw, maak je toch niet zo druk”.
“…anders word je nog eens gek…”
“Een kind kan soms door een enkele opmerking van een ouder voor de rest van zijn leven danig van streek raken. Dat speelde op bij een meneer die decennia lang binnen zijn vakgebied als toonaangevend en grensverleggend bekend had gestaan. Met een telkens weer opzienbarende aanpak had hij het ene na het andere spectaculaire succes behaald. Vervolgens liep hij binnen een paar jaar vrijwel helemaal vast, zowel privé als zakelijk. Vertwijfeld vroeg hij zich af wat hij verkeerd had gedaan. Het antwoord bleek te schuilen in het moment dat hij ooit als nieuwsgierige peuter iets over de dood aan zijn moeder te hebben gevraagd. Zij had hem afgewimpeld met de dooddoener:”Daar moet je niet teveel over nadenken, want anders word je nog eens gek”.
“Pas tijdens de therapie drong het tot hem door dat zijn moeder daarmee haar eigen angst om gek te worden zo sterk op hem had geprojecteerd, dat hij er ergens diep van binnen van overtuigd was geraakt dat hij voorbestemd was om als gek te eindigen. En daar was hij dus ook naar gaan leven en naar gaan werken. Jaren later duwde hij zijn moeder in haar rolstoel door een verzorgingshuis. Bij die gelegenheid wuifde zij iedere willekeurige voorbijganger met een koninklijk handgebaar minzaam toe. Van de weeromstuit wuifden de meesten maar vriendelijk terug waarop de moeder zich naar haar zoon omdraaide en hem vroeg:”Snap jij nou waarom al die mensen naar mij zwaaien?” Voor die meneer was dat het moment waarop hij zijn moeder achter zich begon te laten”.
“…met je hele ziel en zaligheid…”
“De sexueel georiënteerde, want baarmoederlijke functie van de kuddegeest dient zich overigens ook telkens weer aan in de vorm van allerlei systemen die zeggen dat ze veiligheid en zekerheid in de aanbieding hebben. In ruil daarvoor verlangen ze dan wel van je, dat je met je hele ziel en zaligheid in hun grotere geheel opgaat. Na verloop van tijd lopen dat soort systemen net zo dood als alle mensen die er met huid en haar in verdwenen. Ik had hier een meneer die zichzelf vrijwel volledig kwijt was geraakt nadat hij een glanzende carrière binnen een groot bedrijf had gemaakt. “Ik heb me altijd voor de volle 100% aan mijn werk gegeven”, zei hij. “Vindt u het dan vreemd dat er niks van uzelf overblijft?”, kon ik hem alleen maar vragen. Die meneer leerde al snel om voor zichzelf over de hele linie wat meer afstand te bewaren”.
“Door een aaneenschakeling van ervaringen komt het kudde-instinct vroeg of laat vanzelf op gespannen voet te staan met je ontwikkeling tot een volwassen individu. Pas wanneer je je in alle vrijheid zelfstandig beweegt en de verantwoordelijkheid neemt voor elk onderdeel van je gedrag, breekt het inzicht door dat ieder vermogen om inzicht voor jezelf te verwerven uitsluitend aan jou, als enkeling, is voorbehouden. Pas dan word je je tenvolle bewust hoezeer de kuddegeest met zijn neiging naar een doctrinaire en autoritaire tirannie dit voortdurend dood dreigt te drukken. Daartegenover staat echter net zo onverbiddellijk: wanneer je maar even uit het oog verliest dat het kuddedier wel degelijk ook in jou leeft, zet je je op datzelfde moment meteen buitenspel”.
“Door ophitsing kan de kuddegeest massaal in een toestand van collectieve bezetenheid worden gebracht. Met behulp van je kritische verstand kun je de geestelijke stabiliteit opbrengen die nodig is om je daartegen te verweren. Maar zelfs dat lukt je alleen maar wanneer je aanvaardt dat het kuddedier ook in jou huist.”
“In de periode tussen je verwekking en je geboorte tel je nog maar half mee, want vorm je de helft van iemand anders. Op het moment dat je ter wereld komt, wordt je letterlijk van die andere helft verlost. De rest van je leven zul je diep van binnenuit blijven terug- verlangen – en tevergeefs op zoek blijven - naar het herstel van de band met die ene volmaakte andere helft, naar je volmaakte wederhelft. Deze aangeboren, op de ander gerichte kracht, staat bekend als het altruïsme. Zij stelt je in staat om te weten hoe een ander zich ten diepste voelt en daarmee te communiceren. Ook deze kracht keert zich tegen je wanneer het je niet lukt om haar naar je hand te zetten, want dan kan zij eenzijdig de overhand nemen. In dat geval slaat zij om in een overheersend verlangen om helemaal in een ander op te gaan en daarin te verdwijnen".
"Dit streven naar de zogenaamd ‘symbiotische’ liefde is bij voorbaat gedoemd te mislukken, want ook dit behelst weinig meer dan het verlangen om met behulp van de ander terug te keren naar de veiligheid van de moederschoot. Je altruïsme ontaardt daarbij in wezen in angst voor het leven - dat per definitie risico met zich mee draagt - en een verlangen naar de zekerheid en veiligheid van de dood. Hoe intensiever een relatie, des te meer afstand is op zijn plaats. Alleen dan blijf je elkaar voldoende ruimte bieden waarbinnen ieder voor zich kan blijven groeien en zich kan blijven ontwikkelen”.
“In de periode tussen je verwekking en je geboorte tel je nog maar half mee, want vorm je de helft van iemand anders. Op het moment dat je ter wereld komt, wordt je letterlijk van die andere helft verlost. De rest van je leven zul je diep van binnenuit blijven terug- verlangen – en tevergeefs op zoek blijven - naar het herstel van de band met die ene volmaakte andere helft, naar je volmaakte wederhelft. Deze aangeboren, op de ander gerichte kracht, staat bekend als het altruïsme. Zij stelt je in staat om te weten hoe een ander zich ten diepste voelt en daarmee te communiceren. Ook deze kracht keert zich tegen je wanneer het je niet lukt om haar naar je hand te zetten, want dan kan zij eenzijdig de overhand nemen. In dat geval slaat zij om in een overheersend verlangen om helemaal in een ander op te gaan en daarin te verdwijnen".
"Dit streven naar de zogenaamd ‘symbiotische’ liefde is bij voorbaat gedoemd te mislukken, want ook dit behelst weinig meer dan het verlangen om met behulp van de ander terug te keren naar de veiligheid van de moederschoot. Je altruïsme ontaardt daarbij in wezen in angst voor het leven - dat per definitie risico met zich mee draagt - en een verlangen naar de zekerheid en veiligheid van de dood. Hoe intensiever een relatie, des te meer afstand is op zijn plaats. Alleen dan blijf je elkaar voldoende ruimte bieden waarbinnen ieder voor zich kan blijven groeien en zich kan blijven ontwikkelen”.
“Op een zeker moment beseft elk weldenkend mens dat alleen het individu het leven daadwerkelijk draagt. Zo’n half jaar na je geboorte begint al langzaam maar zeker tot je door te dringen, dat je er vroeg of laat helemaal in je eentje voor komt te staan. Dat is zo’n traumatische ontdekking, dat je die aanvankelijk nauwelijks kunt bevatten, laat staan verwerken. Dit lukt je alleen maar met behulp van kracht die je eveneens is aangeboren: je egoïsme. Zij stelt je in staat om alles wat je ervaart te betrekken op jezelf en maakt je eigenbelang tot het enige volstrekt geloofwaardige belang. Deze kracht is naar binnen gericht en staat constant onder druk van je sexualiteit, kuddegeest en altruïsme, die alle drie naar buiten gericht zijn. Volwassen worden komt erop neer, dat je al je instincten krachten weet te beteugelen, in evenwicht met je eigenbelang weet te brengen en één en dezelfde kant op weet te richten. Lukt je dat niet – gaat er bijvoorbeeld eentje met je aan de haal - dan vertrappen en versplinteren ze je persoonlijkheid”.
“…een besmettelijke ziekte
die net zo gevaarlijk is als de pest…”
“Omdat het de liefde voor anderen volgens hen uitsloot, predikten Luther en Calvijn in de 16de eeuw: van jezelf houden is een besmettelijke ziekte die net zo gevaarlijk is als de pest. Zij legden daarmee de grondslag voor een houding waarbij je eigen gevoel van welbehagen niet het doel van het leven mag zijn. Eeuwenlang gold als ideaal, dat je je als individu moest overgeven aan en opgaan in een hogere macht. Als mens werd je tot middel verklaard, tot ondergeschikte, tot dienaar van hogere autoriteiten, zoals God, staat, zaken en succes. In de 17de eeuw stelde Spinoza zich hiertegen te weer toen hij eigenbelang omschreef als een deugd. Hij betoogde, dat eigenbelang bijdraagt tot het behoeden van het leven en het in stand houden van je bestaan en dat je alleen langs die weg de mogelijkheden kunt realiseren die je aangeboren zijn”.
“Maar in brede kring bleef het gebod ‘wees geen egoïst’ tot op de dag van vandaag het overheersende dogma. Het is een gemeenplaats die generatie na generatie miljoenen kinderen wordt ingeprent. De exacte betekenis ervan blijft meestal in het vage, maar toch worden alle instrumenten van massa-beïnvloeding in dienst ervan gesteld. De meeste mensen accepteren het in zijn oppervlakkige betekenis: dat je niet je eigenbelang centraal mag stellen zonder met anderen rekening te houden”.
-
-
"...wordt verlangd, dat je jezelf verloochent en ondewerpt".
-“In de praktijk houdt het echter maar al te vaak een oproep in om achterwege te laten wat je eigenlijk wil doen en om je eigen wensen en voorkeuren op te geven ter wille van de eisen die een extern gezag aan je stelt. Dan krijgt het de lading: hou niet van jezelf, wees jezelf niet, maar onderwerp je aan een macht buiten jezelf die veel belangrijker is dan jij en die je plichten oplegt. ‘Wees geen egoïst’ is daarmee een van de machtigste ideologische werktuigen waarmee de vrije en spontane ontplooiing van je persoonlijkheid wordt onderdrukt. Met die leuze wordt van je verlangd, dat je jezelf verloochent en onderwerpt”.
“Je kunt echter alleen maar uitgroeien tot een echt volwassen mens wanneer je jezelf leert manifesteren als een vrij en zelfstandig handelend individu dat zijn eigen verantwoordelijkheid kent en zijn eigen belang dient zonder daarmee de belangen van anderen te schaden. Ook het belang van de menselijke soort is daarmee het best gediend”.
“Uit elk instinct valt de angst af te lezen voor de risico’s die het leven met zich brengt, want telkens stuiten we op het diepgewortelde verlangen om weer terug te keren naar de veiligheid van de moederschoot. Iedere vorm van dwangmatig gedrag vloeit daarmee ten diepste voort uit sexuele drijfveren”.
“Wat wil ik met mijn leven?”
“Een dier vraag zich niet af: wat wil ik met mijn leven? Maar als mens zie je je telkens wel degelijk voor die vraag gesteld. Ik kreeg hier nogal wat mensen die het antwoord daarop niet wisten. Anderen wisten dat wel, maar ontbrak het aan de wilskracht om het ook in praktijk om te zetten. Ik had hier eens een meneer die, toen ik de wil ter sprake bracht, alleen maar kon zeggen:”Ik ken het woord, maar weet al jaren niet meer wat het betekent”. Toen wist ik: hier is weer veel werk voor mij aan de winkel, want bij deze meneer ligt er maar een dun menselijk laagje over zijn dierlijke herkomst”.
“Wilskracht tref je bij dieren niet aan. Het is een scheppend vermogen dat uitsluitend mensen gegeven is. En net als bij elk vermogen het geval is, komt ook wilskracht pas tot zijn recht komt als je er voldoende aan werkt. Als je maar lang genoeg oefent, versterk je je wilskracht, net als een spier, bouw je haar tot daadkracht uit en kan ze in je voordeel gaan werken. Alleen dan begin je je pas echt in de volle omvang te ontwikkelen tot mens. Je wil is de kracht waarmee je je als individu van anderen onderscheidt. Met haar schep je je eigen leven en werk en maak je jezelf los van het gemiddelde”.
“Ook dat blijft echter betrekkelijk. Want een groot deel van je leven onttrekt zich aan je wil. Dat begint al met je verwekking. Het leven wordt je in de schoot geworpen zonder dat je erom hebt gevraagd. Vanaf dat moment ontkom je met geen mogelijkheid meer aan het leven; geen seconde laat het je daarna nog los. Het leven wordt wel een geschenk genoemd. Maar een geschenk mag je houden en het leven heb je slechts te leen; uiteindelijk moet je het weer inleveren, of je dat nou wil of niet. En tussendoor loop je met je wil dan ook nog eens voortdurend tegen allerlei praktische beperkingen aan. Maar binnen die begrenzingen blijft je wil een vaststaand gegeven”.
“…weinig meer dan een leeg omhulsel…”
“Ik heb veel met mensen achterom gekeken naar wat ze als kind wilden en wat daar terecht van was gekomen. Terugblikken kan je bewust maken van wat je allemaal precies aan schade is berokkend en hoe dat je heeft gemaakt tot wie je nu bent. Maar al te vaak blijkt de oorzaak bij een of meer ouderen te liggen die buitengewoon in staat bleken om niet alleen jou, maar ook hun eigen gevoelens te verdringen. Zij bezorgden het kind al heel jong het gevoel dat er tegen hen niet op viel te boksen; dat je het bij voorbaat tegen hen aflegde. En het wordt nog een slag erger wanneer zo’n ouder zich daar bovendien maar al te graag op voor laat staan en nadrukkelijk zoveel aandacht voor zichzelf opeist dat niemand in de omgeving ook nog maar enige ruimte overhoudt voor eigen gevoelens”.
“Wanneer je echter alleen maar terugkijkt, kom je geen stap vooruit want heb je je ouders nog steeds niet helemaal achter je gelaten. Terwijl daar vaak toch alle reden toe is. Ik heb hier ook nogal wat mensen als een opgeblazen ballon binnen zien komen om ze vervolgens helemaal leeg te zien lopen. Als de lucht uit een ballon is, blijft er nu eenmaal nog maar weinig meer over dan een omhulsel. En natuurlijk voelt het angstaanjagend en onheilspellend als je zelf totaal geen antwoord meer kunt geven op de vraag wie je eigenlijk bent. Daar is niets leuk, lekkers of lolligs aan. Toch zie ik dat als een positieve ontwikkelingsfase. Waar niets meer resteert, kan het naar de toekomst toe alleen maar beter gaan”.
-
“Met die rare behoefte om zich op te blazen, bewijst iemand zichzelf geen enkele dienst. Integendeel zelfs: door eraan toe te geven, keert het zich tegen jezelf, want schiet je uit het kontakt met jezelf en dus ook uit het kontakt met anderen en zet je jezelf telkens weer buitenspel. Bij sommigen bleef de grootheidswaan de boventoon voeren, wat ik daar ook tegen inbracht. Zo kwam hier een tijdlang een mevrouw die als kind van haar ouders aan één stuk door overdreven bijzonder moest zijn. Die ouders wilde in feite uitsluitend met haar kunnen pronken en waren dus slechts op hun eigenbelang uit. Zeker als dat je overkomen is, kun je beter je blik vooruit richten, zelfs al zie je daar alleen maar een diep zwart gat. Helaas kon die mevrouw het niet laten om ook bij mij aan te komen met allerlei hemelbestormende ideeën terwijl ze niet over de capaciteiten beschikte om die te realiseren. Uiteindelijk heb ik tegen haar gezegd:”Volgens mij kun u het best een frituur gaan beginnen” . Ik heb haar daarna niet meer teruggezien”.
-
"...grootheidswaan..."
-“Met die rare behoefte om zich op te blazen, bewijst iemand zichzelf geen enkele dienst. Integendeel zelfs: door eraan toe te geven, keert het zich tegen jezelf, want schiet je uit het kontakt met jezelf en dus ook uit het kontakt met anderen en zet je jezelf telkens weer buitenspel. Bij sommigen bleef de grootheidswaan de boventoon voeren, wat ik daar ook tegen inbracht. Zo kwam hier een tijdlang een mevrouw die als kind van haar ouders aan één stuk door overdreven bijzonder moest zijn. Die ouders wilde in feite uitsluitend met haar kunnen pronken en waren dus slechts op hun eigenbelang uit. Zeker als dat je overkomen is, kun je beter je blik vooruit richten, zelfs al zie je daar alleen maar een diep zwart gat. Helaas kon die mevrouw het niet laten om ook bij mij aan te komen met allerlei hemelbestormende ideeën terwijl ze niet over de capaciteiten beschikte om die te realiseren. Uiteindelijk heb ik tegen haar gezegd:”Volgens mij kun u het best een frituur gaan beginnen” . Ik heb haar daarna niet meer teruggezien”.
“Je wil kun je inzetten om de krachten met elkaar te verbinden die je aangeboren zijn. Met je wil kun je uitgroeien tot een oorspronkelijke en creatieve persoonlijkheid die zelfstandig handelt en die niet alleen maar reageert. Met je wil begint, staat of valt de richting én je beheersing van je de groei en ontwikkeling. Alleen met behulp van je wil kom je tot iets nieuws”.
“…willens en wetens…”
“Het staat je als mens vrij om je wil al dan niet in te zetten en te gebruiken. Je wil levert verdeelde ervaringen op. Je ontdekt je wil voor het eerst op het moment dat je op de wil van anderen stuit. En je leert haar pas echt kennen wanneer je je daartegen verzet. In de meeste gevallen gaat het daarbij om de wil van je ouders. Later voegen zich daar andere gezagsdragers en machthebbers bij. Onder invloed van hun reacties kan je wil zich constructief ontwikkelen, maar ook danig worden verstoord. Je wil kan overbelast raken, worden verlamd, verstikt en gebroken. Onder die omstandigheden kan je wil in haar tegendeel omslaan en kan het er op uit lopen dat je je eigenlijk alleen nog maar tegen de wil van anderen verzet. In plaats van dat jij doelbewust wil leven, keer je je tegen het leven zoals dat zich aan je voordoet”.
“Voor een mens bestaat het leven onophoudelijk uit kiezen. Een keuze maken houdt in dat je andere mogelijkheden willens en wetens verwerpt. Het staat je vrij om het leven te aanvaarden als een onvermijdelijk noodlot waarbij je je noodgedwongen neer te leggen hebt. Als je daarvoor kiest, dan leef je met tegenzin en niet omdat je dat nu zo graag wil. Diep in je hart accepteer je de lening dan niet. Daarmee heb je alleen maar jezelf. Bovenop de doodstraf die je wacht, veroordeel je jezelf dan ook nog tot levenslang. In dat geval kies je ervoor om te sterven zonder dat je er ooit aan toekomt om tenvolle te leven en offer je jezelf nog net zo primitief op als je vroege voorouder die dacht de hardste straf te kunnen ontlopen door zichzelf te kastijden”.
“…je niet langer een halt laten toeroepen…”
“Als je de immense dierlijke en dwingende krachten in aanmerking neemt waarmee we worden geboren is het niet zo verwonderlijk, dat echt volwassen worden slechts voor een kleine minderheid van alle mensen is weggelegd. Veruit de meesten gaan er voor het gemak maar vanuit dat volwassenheid je als het ware vanzelf komt aanwaaien. Die weigeren eenvoudigweg in te zien, dat het nogal wat vergt en kost om werkelijk uit te groeien tot een volwassen mens. In de ontwikkeling tot een volgroeide persoonlijkheid nadert vroeg of laat onafwendbaar het tijdstip om je niet langer een halt toe te laten roepen door herinneringen aan al die kontakten waarin je in het verleden faalde, afhaakte of bleef steken".
“Ik heb hier veel mensen getroffen die in hun kinderjaren waren uitgegumd en daarmee chronisch naar het leven werden gestaan. Dat kan zich op talloze manieren voltrekken en er komt nogal wat bij kijken. Het kan lang duren voordat een mens daar helemaal van geneest. Dan zette ik daar telkens weer met chirurgische precisie het mes in. Dat is namelijk nodig als je met het onbewuste van anderen wil communiceren. En daar was ik heel goed toe in staat”.
“...een kwast vol goeie genade..”.
“Verschillende grote godsdiensten maakten het er de mensen niet makkelijker op om volwassen te worden. Ze verlangden dat je je juist klein maakte, schreven voor dat je op je knieën ging en schakelden je gelijk met schapen. Ze prentten je in, dat je niet helemaal gaaf was op het moment dat je ter wereld kwam. Jammer voor jou, maar er ontbrak helaas iets aan je. Door de ‘erfzonde’ was je zwak en geneigd tot het kwaad. Alleen de kerk kon je nog lijmen, met een kwast vol goeie genade. Daarmee stelden ze zichzelf niet alleen boven jou, maar boven het leven. En juist dat leven is voor mij altijd het hoogste goed geweest. Voor het overige geloof ik nergens in: als je eenmaal iets gelooft, kan je wel van alles geloven. Ik baseerde me uitsluitend op zaken omtrent het leven die ik met wetenschappelijke nauwkeurigheid kon vaststellen”.
“Leven omvat alles wat we vanaf onze geboorte tot aan onze dood stuk voor stuk aan den lijve ervaren. Leven beperkt zich echter zich niet alleen slechts tot onze soort. Alles om ons heen vertoont tekenen van leven die min of meer vergelijkbaar zijn met dat van ons. Leven is iets wat alle levende wezens tot op zekere hoogte met elkaar delen. Tegelijkertijd waaiert het leven in allerlei uiteenlopende vormen uiteen. Zo is het leven van onze menselijke soort in de loop der tijd trekken gaan vertonen die ons op beslissende wijze van andere vormen van leven onderscheiden. Als soort beschikken wij over een gemeenschappelijk deel van leven. Dit verbindt ons ten diepste met elkaar. Ieder voor zich zijn we weinig meer dan eilandjes in een onmetelijke oceaan. In navolging van Freud vatten we die gemeenschappelijke noemer van de menselijke levensvariant samen met het woord ‘zelf”.
“Oh, what a beautiful morning!”
“Er is dus maar één ‘zelf’. Het is het gebied waar je één geheel vormt met alles wat leeft en in het bijzonder met elke medemens. Het is de wezenlijke kern waar je één met het leven van ieder ander bent. Diep in ons hart weten we dat allemaal al lang van elkaar, ook al doen we in onze omgang met elkaar vaak alsof dat niet het geval is”.
“Dit ‘zelf’ weet feilloos wie je van oorsprong bent: één compleet geheel dat het leven lief heeft en niets anders dan dat. Het ‘zelf’ heeft die liefde nergens aan verdiend en hoeft haar dus ook niet te bewijzen; het is er gewoon. Het ‘zelf’ kan eenvoudigweg niet anders, want het is het leven zelf. Het is en blijft het middelpunt waar alles van het begin tot het eind van je individuele bestaan om draait. Elke daad die je stelt en iedere handeling die je pleegt, is er een uiting van. De wereld is en blijft een tranendal en de mensheid wil bedrogen worden, maar het leven heb ik daarom geen seconde minder lief. Na het ontwaken begroet ik iedere nieuwe dag door te neuriën:”O, what a beautiful morning!”.
“Het aardige is dat ons, als soort, van nature de mogelijkheid gegeven is om naar - en in - onszelf op zoek te gaan. Wij zijn in staat om bij onszelf naar binnen te kijken en in alle nuchterheid onder ogen te zien wat zich daar afspeelt. Aldoende begin je steeds duidelijker te ontdekken wie je ten diepste bent en hoe je daarmee omspringt”.
“Het aardige is dat ons, als soort, van nature de mogelijkheid gegeven is om naar - en in - onszelf op zoek te gaan. Wij zijn in staat om bij onszelf naar binnen te kijken en in alle nuchterheid onder ogen te zien wat zich daar afspeelt. Aldoende begin je steeds duidelijker te ontdekken wie je ten diepste bent en hoe je daarmee omspringt”.
“Omdat je je hele leven lang onder druk van buitenaf staat, blijft het geen geringe opgaaf om ook maar een beetje in de buurt van jezelf te blijven. Al die druk is er immers voortdurend op gericht om je aan te passen. Naarmate die druk groter en heviger is, kan ze je steeds verder uit je innerlijk evenwicht slaan, je meer en meer bij jezelf vandaan drijven en in het uiterste geval het kontakt verbreken dat je oorspronkelijk – en niet voor niets! – met jezelf had”.
“Daarom blijft jezelf leren kennen een stuk makkelijker gezegd dan gedaan. Jezelf zoeken en jezelf proberen te hervinden lijkt meer op zijn plaats. Geen mens is bij machte om zichzelf binnen het bestek van één leven volledig te leren bevatten. Daar zouden heel wat meer levens nodig voor zijn. Vijfenveertig jaar lang stond ik zes dagen per week mensen te woord die op zoek waren naar zichzelf. Denk nu echter niet, dat ik op grond van die ervaring mezelf heb leren doorgronden. Ook ik ken mezelf nog maar een heel klein beetje. Ik sta nog regelmatig versteld van mezelf en bij tijd en wijle schiet ik nog hartelijk om mezelf in de lach”.
“Je ervaart jezelf uitsluitend in relaties. Dan laat je jouw ‘zelf’ – of wat daar van over is - aan dat van de ander zien en kom je erachter dat ze identiek zijn. Vooral wanneer je van iemand houdt, is het onmogelijk om jezelf voor die ander te verstoppen. Dan dringt er iemand tot je ‘zelf’ door en worden je diepere lagen onthuld. Soms is dat een zo angstaanjagende ervaring dat je het als een verwonding beschouwt. Die probeer je zo snel mogelijk te ‘helen’. Je smeert er een dikke laag zalf overheen die je wond aan het oog onttrekt en die een dik litteken achterlaat om nieuwe verwondingen op die plek te voorkomen”.
“…de hoogste vorm van vertrouwen…”
“Jezelf hervinden kent zijn eigen tempo en laat zich niet forceren. Die zoektocht speelt zich af in een diepere laag dan daar waar je beseft dat we stuk voor stuk ook uniek zijn. Van dat laatste word je je vrij makkelijk bewust. Het besef dat je, ondanks dat, één bent met alle anderen – en de herinnering daaraan - heeft daarentegen meer weg van het langzaam ontwaken uit een diepe winterslaap. Dat het ‘zelf’ het zwaarste weegt, blijkt uit het feit dat de taal de woorden zelfvertrouwen en zelfstandig produceerde en de termen ikvertrouwen en ikstandig achterwege liet. Vertrouwen in jezelf is de hoogste vorm van vertrouwen die je als mens kunt bereiken”.
“Veel van wat je leert, pak je niet bewust op. Vooral in je jeugd bestaat leren voornamelijk uit nadoen. Van meet af aan leer je je te gedragen zoals je omgeving dat van je verwacht en verlangt. Als klein kind zie en hoor je slechts het voorbeeld dat grote mensen jou met de beste bedoelingen geven. Hun gedrag ten opzichte van jou vormt aanvankelijk je enige richtlijn en houvast. Aan de lopende band duwen ouders en andere opvoeders hun normen en waarden er bij je in. Hun frustraties, verwachtingen en idealen projecteren ze daarmee op jou. Daar ben je als klein kind uiterst ontvankelijk voor. Want dat begint al voordat je je er ook maar een beetje tegen kunt verweren. En je weet dan ook nog niet beter”.
-
-
"...het volstorten van een put die ogenschijnlijk leeg is..."
-“Maar al te vaak heeft opvoeden helaas veel weg van het volstorten van een put die ogenschijnlijk leeg is en waar nog wel wat bij kan. Allemaal proberen ze iemand anders van je te maken, naar hun beeld en gelijkenis. Dat begint al als familieleden zich over de wieg van een pasgeborene buigen en zich afvragen op wie van hen het kind het meeste lijkt. Ik kon het dan niet laten om de hoop uit te spreken dat de kleine vooral op zichzelf zou blijven lijken. Want voor je het zelf in de verste verte ook maar een beetje in de gaten hebt, raak je al van jongsaf aan door opvattingen van anderen ondergesneeuwd en maak je jezelf gedragingen eigen die zij van je verlangen. Van hen mocht je van het begin af aan eigenlijk niet of nauwelijks zijn zoals je in wezen bent. Je kunt echter alleen maar uitgroeien tot een werkelijk vrij en zelfstandig mens wanneer de vlam ontstoken en aangewakkerd wordt van alle oorspronkelijke krachten die je meekreeg van de natuur”.
“Een meneer vertelde mij hoe zijn moeder hem van kinds af aan had bejubeld als het evenbeeld van haar geliefde vader. Ter voorkoming van enig mogelijk misverstand voegde ze daar dan tot overmaat van ramp nog aan toe, dat zij diens lievelingskind was geweest. Als bewijs daarvan voerde ze aan, dat alleen zij erbij had mogen zijn als hij een van zijn koeien door een stier liet dekken. En met tranen in haar ogen dacht ze er dan telkens hardop aan terug hoe zij maandenlang aan het ziekbed van haar vader had gezeten en met hoeveel zorg en geduld zij hem had verpleegd tot hij, betrekkelijk jong nog, uiteindelijk overleed. Pas veel later begreep die meneer van anderen, dat die opa van hem zich in feite kapot gezopen had. En ook al had die meneer die opa nooit in levende lijve gekend, het kostte hem nogal wat moeite om die moeder en haar vader uit zijn systeem te krijgen”.
Zijn telefoon rinkelt.
“Ja!”
Hij knalt het er met zijn bronzen basbariton uit als een starter die welgemoed het commando “Op uw plaatsen!” geeft. Die indruk versterkt hij door daarna een korte pauze te laten vallen, een fractie van een seconde slechts, maar net genoeg voor hem en de ander om zich nog even mentaal vrij te maken voordat het kontakt uit de startblokken schiet. En hij twijfelt niet in het minst aan het gewenste effect als hij het “Klaar! Af” en het startschot kordaat samenvat met een uitnodigend:“U spreekt met Spaanderman”.
Zijn grijsblauwe ogen dwalen langs het plafond terwijl hij aandachtig naar de ander luistert. Na minder dan een minuut weet hij genoeg.
“Vellen!”, zegt hij beslist.
Kennelijk wordt dat niet meteen begrepen, want vlak daarna herhaalt hij op precies dezelfde toon:“Vellen!”
Daar moet de ander het mee doen.
Nadat hij de telefoon neerlegt, merk ik op:”Het is lang geleden dat ik iemand dat woord heb horen gebruiken”.
Hij zegt daarop:"Voor mij heeft de zeggingskracht ervan nog niets aan actualiteit ingeboet. Zo ging het hier om een mevrouw die voor haar werk voortdurend met bedenksels moest komen die anderen graag van haar hoorden. Uiteindelijk werd ze daardoor ziek van zichzelf. Inmiddels probeert ze weer overeind te krabbelen. Dat leek haar aardig te lukken, maar nu probeerde iemand haar onverwacht onderuit te halen. Het woord vellen leende zich er voor mijn gevoel als geen ander toe om nu ook bij haar een gezonde dosis moordlust aan te wakkeren. Het is helemaal aan haar om te bepalen wat ze daar al dan niet mee doet”. Volstrekt onaangedaan pakt hij daarna de draad van ons gesprek weer op.
Hij zegt daarop:"Voor mij heeft de zeggingskracht ervan nog niets aan actualiteit ingeboet. Zo ging het hier om een mevrouw die voor haar werk voortdurend met bedenksels moest komen die anderen graag van haar hoorden. Uiteindelijk werd ze daardoor ziek van zichzelf. Inmiddels probeert ze weer overeind te krabbelen. Dat leek haar aardig te lukken, maar nu probeerde iemand haar onverwacht onderuit te halen. Het woord vellen leende zich er voor mijn gevoel als geen ander toe om nu ook bij haar een gezonde dosis moordlust aan te wakkeren. Het is helemaal aan haar om te bepalen wat ze daar al dan niet mee doet”. Volstrekt onaangedaan pakt hij daarna de draad van ons gesprek weer op.
“…een typisch menselijk kunstje…
“Hoe meer druk er in je jongste jaren op je wordt uitgeoefend, des te verder raak je vervreemd van jezelf, blijft er minder van jezelf over en kom jezelf minder tot je recht. Hoe meer je je aanpast, des te meer verdring je de natuurlijke oorsprong van jezelf. Dat voltrekt zich stapje voor stapje en beetje bij beetje. Op een gegeven moment weet je niet beter en ben je een meester geworden in het verdringen van jezelf. Zo kan woede bijvoorbeeld in de ogen van anderen zo ‘slecht’ zijn, dat ook jij na verloop van tijd niet meer toe durft te geven dat je wel eens boos bent. Op die manier raak je eraan gewend dat je niets meer van je eigen woede merkt. Tenslotte denk je zelfs dat je woede helemaal niet bestaat. Je krijgt daar een blinde vlek voor”.
“Verdringen is een typisch menselijk kunstje, dat je je aanleert om het leven te vergemakkelijken en te verzachten. Er is weinig reden toe om plezierige ervaringen te verdringen. Je verdringt uitsluitend gevoelens die je als onaangenaam beleeft. Door te verdringen probeer je jezelf af te schermen voor pijnlijke gewaarwordingen, vlucht je voor de harde kanten die het leven met zich brengt. Verdringen is uiterst verleidelijk: het wordt je van meet af aan voorgedaan, dus ben je het van het begin af aan gewend en beschouw je het van kinds af aan als de normaalste zaak van de wereld”.
“Honderd jaar geleden was het in beschaafde Europese kringen nog gebruikelijk, dat je rond je 25ste helderheid rond jezelf begon te verschaffen en tussen je 30ste en 35ste alles voor de rest van je leven zo’n beetje op zijn vaste plaats viel. Men duidde die periode aan als de jaren des onderscheids en beschouwde dat als een soort grote schoonmaak aan het eind waarvan je tot jezelf kwam. In die jaren leerde je het verschil zien tussen dat wat authentiek van jou was en dat wat je klakkeloos van anderen had overgenomen. Dit laatste werkte je er tussen je 25ste en 35ste zoveel mogelijk uit. Na de jaren van onderscheids werd je geestelijk volwassen geacht; kon het mannelijke aspect zich tot het vaderlijke ontplooien en het vrouwelijke tot het moederlijke”.”
“Zoek maar uit wat je wil”.
“Zelf heb ik geen nakomelingen verwekt. Maar ik ben gewoon Opa Spaan voor de kinderen van de twee jongere collega’s met wie ik een maatschap had. Ik ervaar hen ook als mijn kleinkinderen. In mijn kontakten met hen komt het hoogst haalbare tot zijn recht wat een mens zich kan wensen: je voor de volle 100% dienstbaar maken aan het aangeboren leven. Daar beleven mijn kleinkinderen net zoveel plezier aan als ik".
"Een van hen nam ik op zijn verjaardag mee naar de grootste speelgoedzaak van het dorp. Hij kon nog amper lopen. Op de drempel zei ik alleen maar:”Zoek maar uit wat je wil”. Ik zal nooit de blik vergeten waarmee hij toen naar me keek. Maar het mooiste van alles was: geen haar op zijn hoofd had de neiging om misbruik van mijn aanbod te maken. Een paar jaar later vertelde hij me dat hij op school voortdurend door een ander jongetje werd gepest. Ik gaf hem de verzekering: “Zeg maar tegen hem dat Opa Spaan hem hartstikke dood komt maken als ie het nog één keer doet”. Die boodschap heeft hij de dag daarop letterlijk aan dat andere jochie overgebracht. Die heeft hem nooit meer lastig gevallen”.
“Steeds minder mensen worden volwassen”.
“In onze cultuur worden steeds minder mensen volwassen. Volwassen worden doet namelijk pijn en dat verdringen we liever, als het even kan. Jezelf afschermen voor pijnlijke gevoelens werkt echter niet zo goed. Je ontregelt je hele systeem als je een stukje van je persoonlijkheid wegduwt. Gevoelens die je jezelf hebt ontzegd, schieten dan af en toe toch tevoorschijn, bijvoorbeeld als je vermoeid bent of een glaasje teveel op hebt. Je emoties kunnen dan losbarsten en op die manier ontsnappen. Daar word je dan door overrompeld, omdat je je ware gevoel niet goed meer kent. Je reageert overdreven. Opeens herken je jezelf even niet meer, heb je aan jezelf niet meer genoeg en grijp je wanhopig naar averechts werkende hulpmiddelen als drug en drank. In al die jaren dat je jezelf hebt leren aanpassen, heb je – meestal op een pijnlijke manier – geleerd dat bepaalde emoties en gedragingen niet horen. Word je daarop betrapt, dan voel je de dreiging om op vijandigheid te stuiten en te worden verstoten”.
“Hoe je ontwikkeling tot volwassene verloopt, hangt in belangrijke mate af van de houding van met name je ouders. Verdringing kan ontstaan als gevolg van een trauma, een op zichzelf staande, zeer pijnlijke gebeurtenis. Maar het kan er ook in sluipen omdat je, geheel of gedeeltelijk, door je ouders wordt afgewezen. Dat is het meest bedreigende wat je als kind kan overkomen. Onder dat soort omstandigheden blijft er na verloop van tijd weinig meer van jezelf over dan een meestal lastig ontwarbare knoop van opvattingen en gedragingen die je voor een groot deel van anderen hebt overgenomen en die nog maar nauwelijks van jezelf zijn. Dat stuk van anderen heb je jezelf echter eigen gemaakt. Je raakt eraan gewend en zelfs mee vergroeid. Je zou haast nog zweren dat je dat zelf bent”.
“Ik heb hier eens een meneer gehad, die er maar niet achter kon komen waarom hij door het leven raasde alsof de duvel hem op zijn hielen zat. Al pratend kwam ik erachter hoe zijn moeder er regelmatig haar verwondering over had uitgeroepen dat ze bij aanvang van zijn geboorte alleen maar de indruk had dat ze hoognodig moest plassen, maar dat ze hem vervolgens nog maar net bij zijn nekvel had kunnen grijpen vlak voordat ie met zijn hoofd op de bodem van toiletpot kwakte. Hij was dus als een raket door haar afgevuurd. Kennelijk was zij hem liever kwijt dan rijk. Nadat ik dit constateerde vielen er meerdere ervaringen met zijn moeder keurig op hun plaats bij die meneer en begon hij zich het motto eigen te maken dat alleen kalmte ons kan redden”.
“…wat de buren ervan zeggen…”
“Ik heb hier heel wat mensen voorbij zien komen die in hun jeugd opgroeiden met ouders die zich voortdurend druk maakten over wat de buren misschien wel van hen zouden kunnen zeggen of die alles wat ook maar een beetje lastig was ter wille van de zogenaamde lieve vrede onder ook al zogenaamde mantel der liefde bedekten. Als kind wen je er dan al snel aan dat het leven weinig meer dan een verstikkende aangelegenheid is”.
“Talloze ervaringen bevestigen wel heel nadrukkelijk hoe ernstig kinderen soms door hun eigen ouders tekort worden gedaan. Het verklaart ook waarom je jezelf als mens pas echt kunt ontplooien wanneer je je ouders voorgoed en volledig achter je laat. Freud kwam tot de slotsom dat de menselijke beschaving zich pas echt kon ontwikkelen nadat er voor het eerst een zoon zijn vader had vermoord. Dat hoef je niet letterlijk te nemen. In overdrachtelijke zin diende zich er ooit nog een voorbeeld van bij me aan: een vader die gescheiden was, werd door zijn zoon, tevens zijn enige kind, het recht ontzegd om op diens bruiloft aanwezig te zijn".
"Die zoon zei erbij, dat hij bang was dat de spanning tussen zijn vader en moeder zijn huwelijkspret zou verstoren. De vader bracht daar tegenin, dat het juist bij een dergelijke gelegenheid in de kern toch uitsluitend draaide om de relatie tussen hen beiden en dat die niet alleen volkomen los stond van en ook van een geheel andere orde is dan de relatie tussen de vader en de moeder of welke andere dame dan ook. De zoon bezorgde onder druk van dit tegenargument zijn vader en diens nieuwe vriendin alsnog een uitnodiging voor de huwelijksvoltrekking en de receptie, maar bleef hen beiden weren van het daarop volgende diner en feest. De zoon wilde zijn vader dus hoe dan ook om zeep blijven helpen, ook al lukte hem in dit geval slechts ten dele”.
"Die zoon zei erbij, dat hij bang was dat de spanning tussen zijn vader en moeder zijn huwelijkspret zou verstoren. De vader bracht daar tegenin, dat het juist bij een dergelijke gelegenheid in de kern toch uitsluitend draaide om de relatie tussen hen beiden en dat die niet alleen volkomen los stond van en ook van een geheel andere orde is dan de relatie tussen de vader en de moeder of welke andere dame dan ook. De zoon bezorgde onder druk van dit tegenargument zijn vader en diens nieuwe vriendin alsnog een uitnodiging voor de huwelijksvoltrekking en de receptie, maar bleef hen beiden weren van het daarop volgende diner en feest. De zoon wilde zijn vader dus hoe dan ook om zeep blijven helpen, ook al lukte hem in dit geval slechts ten dele”.
“…innerlijke vulkaan…”
“Bittere ervaringen leren je: het is niet goed zoals het nu met je gaat. Dus probeer je jezelf te veranderen; druk je je ‘verkeerde’ emoties en gedragingen weg, naar binnen toe, in jezelf – in de hoop dat ze dan wel zullen verdwijnen. Dat doen ze dus nooit en tenimmer. Een conflict los je niet op door te doen alsof het niet bestaat. Ook je ‘negatieve’ gevoelens en gedragingen verdwijnen niet door ze op te sluiten. Zij verzamelen zich in je “schaduw”.
“Naarmate je als mens volwassener wordt, stuit je vroeg of laat vanzelf ook op je schaduwkant. Dit stuk van jezelf gedraagt zich als gesmolten lava in het binnenste van de aarde. Hoe minder je aanvaardt dat ook jij een schaduwzijde hebt en hoe harder je haar wegdrukt, des te meer kracht vergt het je en des te groter is de kans dat zij als innerlijke vulkaan vroeg of laat tot een uitbarsting komt”.
“Soms wordt pas na het intreden van de dood in volle omvang zichtbaar hoeveel gevoelens iemand tijdens het leven verdrong. Ik heb een mevrouw meegemaakt, die - hoe goed ze ook keek - het gelaat van haar man totaal niet herkende toen ze hem opgebaard zag liggen en de verschrikkelijke waarheid tot haar doordrong dat ze tientallen jaren onder één dak had geleefd met iemand die ten diepste altijd een vreemde voor haar was gebleven”.
“…van straat geraapt…”
“Je schaduw is het duistere stuk van jezelf dat je minder graag onder ogen ziet en ook liever niet toont; waar je niet zo goed raad mee weet en niet graag stil bij staat, noch aan denkt, laat staan over praat; waar je liever stilzwijgend aan voorbij gaat en bij voorkeur voor jezelf houdt; waar je je aan ergert, voor schaamt en je schuldig over voelt; waar je mee in de knoop raakt en mee worstelt. Het is je schaduw die maakt dat je jezelf voor de voeten loopt en met jezelf overhoop ligt. Het is dat deel van jezelf waar je minder van houdt, maar eerder haat; waar je van vindt, dat het er eigenlijk niet had horen te zijn. Je hebt moeite met dat stuk van jezelf omdat het op de meest ongelegen momenten de kop opsteekt en je in de problemen brengt; dat je bij tijd en wijle zomaar de teugels uit handen neemt, alsof je ten prooi valt aan een duistere kracht die sterker is dan jij en die je in de afgrond trekt. Het is dat donkere stuk van jezelf, dat ervoor zorgt dat je dingen doet en zegt die je zelf eigenlijk veracht. Het is je schaduw die maakt dat je liever iemand anders was geweest”.
“Een mevrouw was als meisje door haar moeder tegenover iedereen voortdurend zo opgehemeld, dat ze zichzelf daarin steeds minder herkende. Na verloop van tijd werd ze zelfs bevangen door de stellige waan, dat ze ooit als een onecht kind te vondeling was gelegd en door die moeder van straat was geraapt. Pas op latere leeftijd vertelde ze dat tegen een jongere zus. Die bleek met hetzelfde idee rond te lopen. Pas toen drong tot hen beiden door dat dit vanalles over hun moeder zei en niets over henzelf. En die mevrouw keek meteen anders naar die moeder nadat ik tegen haar zei, dat ophemelen in de volksmond niet voor niets gelijk wordt gesteld met iemand het graf inprijzen”.
“…een jongedame die een vergiet van zichzelf had gemaakt…”
“Weerstand tegen je schaduw knaagt aan je, vreet energie, hindert je en maakt je onzeker. Met die weerstand maak je jezelf langzaam maar zeker kapot. Zij maakt dat je gevangen raakt in een gevecht dat nooit valt te winnen, hoe slim, knap of sterk je ook denkt te zijn. Weerstand tegen je schaduw mondt erin uit dat je jezelf verwenst en vervloekt je, dat je jezelf inhoudt en niet meer durft te laten gaan; dat je wankelt en jezelf onderuit haalt; dat je over jezelf en je woorden struikelt. Met weerstand tegen jezelf maak je jezelf belachelijk”.
“Om jezelf naar buiten toe in het gareel te houden, druk je dat donkere stuk steeds dieper weg en verder bij je vandaan en klamp je jezelf – verkrampt en wanhopig – vast aan het geliefdere, lichtere, luchtiger, leukere, lolliger en lovenswaardiger deel van jezelf. Daar vestig je steeds sterker de aandacht op. Je poetst je imago voortdurend zo blinkend mogelijk op in de ijdele hoop dat je jezelf daarachter kunt verstoppen. Ik kreeg hier een jongedame op bezoek die een vergiet van zichzelf had gemaakt: ze had allerlei ringetjes in haar lippen, neus, wenkbrauwen en oren. Al pratend kwamen we er vrij snel achter wat de diepere oorzaak was: haar moeder had een prikje gehad om haar bevalling te vergemakkelijken. En dat feit had zich kennelijk genesteld in de schaduw van die jongedame”.
”Als je niet uitkijkt, raak je achter al je uiterlijk vertoon zelf nog verstopt; zet je letterlijk en figuurlijk iets in je vast; blijf je steken in je groei en ontwikkeling; gooi je je eigen ruiten in, werk je jezelf eruit, zet je jezelf buitenspel, maak je jezelf onmogelijk, put je jezelf uit, word je ziek van jezelf, maak je jezelf af”.
“…een ontstoken kies met een nijptang…”
“Een nogal zwaarmoedige meneer vertelde mij hoe zijn moeder er te pas en onpas tegenover hem en zijn broertjes prat op ging dat zij vroeger als kind een ontstoken kies met een nijptang door de buurman uit haar mond had laten trekken. En op latere leeftijd deed ze daar nog een schepje bovenop toen ze om medische redenen een gynaecologische ingreep zonder verdoving moest ondergaan. Glimmend van trots had ze daarover verhaald hoe de chirurg haar keer op keer had gevraagd of ze het nog wel volhield en dat daarbij steeds meer zweet over zijn gezicht liep. “Ik ben dus opgegroeid in de wetenschap dat ik het bij voorbaat tegen mijn moeder afleg”, zei die man. Het luchtte hem zichtbaar op toen ik hem voorhield:”Uw moeder kon dus verdringen als de beste. Geen wonder dat u daar ook niet slecht in bent”. Zo had die meneer nog niet eerder naar zijn moeder gekeken”.
“Het lastige en vervelende van verdringen blijft dat die schaduwkant er wel degelijk zit. Wat je ook probeert om haar te verstoppen, ze wil maar niet weg. En hoe banger je voor je schaduwkant bent en hoe sterker je haar probeert te verdringen, des te harder doet zij zich gelden en keert zij zich tegen je. Want je onderdrukt daarmee een wezenlijk stuk van jezelf. Dat vreet je laatste restjes energie. Je vreet jezelf op. Tot er helemaal niemand meer naar je luistert, of je nu zachtjes om het laatste restje aandacht fluistert of er hard om schreeuwt”.
“…opgegroeid met de heks van Hans en Grietje…”
“Een mevrouw rekende zichzelf aan dat ze steeds zwaarlijviger werd. Al pratend kwamen we erachter dat haar moeder haar in haar jongere jaren iedere keer de koektrommel voorhield als ze ook maar even lastig dreigde te worden. Ik kon alleen maar zeggen:”U hebt dus een sprookjesachtige jeugd beleefd, want u bent eigenlijk de heks van Hans en Grietje opgevoed; zo van: stop maar een koekje in dat kind, want dan houd het tenminste even zijn mond”. Het duurde even voordat die mevrouw daar smakelijk om kon lachen. Daarna tilde ze meteen een stuk minder zwaar aan dat gewichtsprobleem van haar en dat was al snel te zien ook”.
“Het is nog lastiger om te aanvaarden dat je van oorsprong zelf ook iemand bent met een lichte én een donkere kant. En om dat donkere stuk van jezelf kun je evenmin heen als je anderen tegemoet wil treden als iemand met wie op evenwichtige wijze duurzame zaken kunnen worden gedaan. Het maakt in wezen weinig tot niets uit hoe groot of klein dat stuk van jezelf is. En al evenmin wat zich daar allemaal ophoudt. Het belangrijkste is: dat het er zit en dat je het met je meedraagt”.
“Als je niet goed op je tellen past bepaalt je schaduw voor je het weet hoe je leven verloopt; ben je het grootste deel van je tijd bezig om te verbergen dat je niet helemaal zuiver op de graat bent en heeft iedereen dat goed in de gaten, behalve jij. Soms heb je het lef – of dwingt een situatie je ertoe – om wat dieper in jezelf te duiken, daar even wat langer te blijven en kom je jezelf tegen. Heel even ervaar je dan iets van je ‘zelf’, ontdek je wie en wat je eigenlijk bent; hoef je niet meer te doen alsof. Op die momenten hervind je je zelf. Je ontdekt hoe het voelt om te voelen; niet te doen alsof je wat voelt, niet te denken dat je wat voelt, maar voelt het echt alsof je eindelijk thuis komt - of op zijn minst op weg daar naartoe bent. Dat kan zo verfrissend werken, dat je daar wilskracht uit put om in de spiegel te kijken en je schaduw recht in de ogen te zien. Je kunt daarvan even van slag raken tot je je verzet opgeeft en je ook je donkere kant aanvaardt met de slotsom: het is goed zoals ik ben”.
“Wanneer je in gevecht bent met jezelf, raak je automatisch in conflict met anderen. Zo gauw iemand dat donkere stuk in je raakt, nadert of er zelfs maar naar wijst, ben je niet meer aanspreekbaar, voel je je aangevallen, duik je in het defensief, reageer je gekwetst, sluit je je af, sla je dicht, zonder je je af, trek je jezelf terug, zet je je stekels op”.
“…de neiging om ze hartstikke dood te rijden…"
“Midden in een glanzende carrière was een mevrouw het spoor bijster geraakt. Onderweg hier naartoe was ze in haar auto langs een terrasje gereden. In het voorbijgaan had ze daar een groepje leeftijdsgenoten zien staan die met volle teugen van het leven leken te genieten. Dat maakte nogal wat bij haar los:”Ik had opeens de neiging om ze hartstikke dood te rijden”. Ik zei dat ik dubbel blij voor haar was. Allereerst omdat ze niet de daad bij het woord had gevoegd. Maar niet minder omdat haar geldingsdrang zich in elk geval weer was gaan roeren”.
“Hoe nadrukkelijker je dat donkere stuk voor jezelf ontkent, bevecht of verbergt, des te beduchter word je dat anderen het weten te vinden. Met die angst zet je je schaduw in de vorm van schaamte en schuldgevoel tussen jou en de anderen. Dat heeft een escalerend effect. Je raakt overgevoelig, waant je bedreigd, maakt jezelf tot speelbal van je omgeving, betuigt telkens weer spijt, betaalt voortdurend je leergeld maar komt nauwelijks meer vooruit. Want je blijft nog altijd tevergeefs proberen om je oude gebreken eruit te werken”.
“…de liefdesbreuk…”
“Een meneer kon als jochie weinig anders concluderen dan dat hij opgezadeld zat met een familie waarin het kwaad de boventoon voerde. In de Tweede Wereldoorlog had een oom zich onbeschaamd aan de Duitse bezetters verrijkt. Door er halsoverkop met een Canadese bevrijder vandoor te gaan had een tante in 1945 slechts ternauwernood kunnen voorkomen om als moffenhoer te worden kaalgeschoren. En zijn eigen vader sloeg er bij het minste geringste op los; met onder meer als gevolg dat die meneer als een vechtersbaasje in het leven kwam te staan. Die vader deed iets in de techniek en bestempelde die meneer keer op keer verachtelijk tot de zoon met twee linkerhanden. In een poging om toch nog een beetje goedkeuring van zijn pa te verwerven, stortte die meneer zich van de weeromstuit ook op de techniek. Hij sloopte hele motorblokken uit elkaar en maakte die weer als nieuw. Ook dat mocht hem echter weinig baten".
"Want toen die meneer begon te puberen, haalde zijn vader hem ook sexueel vierkant onderuit met de vraag of hij wist wat hem te wachten kon staan als hij met een vrouw het bed in dook. Nadat de zoon naar eer en geweten antwoordde, dat hij daar nog geen enkel benul van had, pakte de vader er een boek voor varensgezellen bij en drukte hij het joch met zijn neus op twee afbeeldingen uit het hoofdstuk over geslachtsziekten. Op de een was het scrotum te zien van een man met ballen als meloenen en op de tweede werd een man getoond met grote zwerende syfilusgaten in zijn armen. Het duurde jaren voordat die meneer een meisje aan durfde te raken. Het was alles bij elkaar dus niet zo vreemd, dat allengs de overtuiging bij die meneer postvatte, dat het kwaad ook hem in de genen zat. Van lieverlede zocht hij zijn heil in allerlei drugs. Die had hij helemaal op eigen kracht weer achter zich weten te laten toen hij op een gegeven moment tegen mij zei:”Volgens mij heb ik iets crimineels”. Toen wist ik: nu heb ik beet. En hij klaarde meteen een stuk op nadat ik met een grote glimlach vroeg:”Ja, maar wie is dat niet? Het is toch mooi dat we dat allemaal ergens wel een beetje van Moeder Natuur hebben meegekregen? De vraag is alleen maar: hoe gaan we daar voor onszelf mee om?”.
"Want toen die meneer begon te puberen, haalde zijn vader hem ook sexueel vierkant onderuit met de vraag of hij wist wat hem te wachten kon staan als hij met een vrouw het bed in dook. Nadat de zoon naar eer en geweten antwoordde, dat hij daar nog geen enkel benul van had, pakte de vader er een boek voor varensgezellen bij en drukte hij het joch met zijn neus op twee afbeeldingen uit het hoofdstuk over geslachtsziekten. Op de een was het scrotum te zien van een man met ballen als meloenen en op de tweede werd een man getoond met grote zwerende syfilusgaten in zijn armen. Het duurde jaren voordat die meneer een meisje aan durfde te raken. Het was alles bij elkaar dus niet zo vreemd, dat allengs de overtuiging bij die meneer postvatte, dat het kwaad ook hem in de genen zat. Van lieverlede zocht hij zijn heil in allerlei drugs. Die had hij helemaal op eigen kracht weer achter zich weten te laten toen hij op een gegeven moment tegen mij zei:”Volgens mij heb ik iets crimineels”. Toen wist ik: nu heb ik beet. En hij klaarde meteen een stuk op nadat ik met een grote glimlach vroeg:”Ja, maar wie is dat niet? Het is toch mooi dat we dat allemaal ergens wel een beetje van Moeder Natuur hebben meegekregen? De vraag is alleen maar: hoe gaan we daar voor onszelf mee om?”.
“Een tijdje later vertelde die meneer me, dat hij vierentwintig uur vrijwel onafgebroken had gehuild. Tot zijn opluchting kon ik hem ervan verzekeren, dat hij daarmee een fase van volwassenwording bereikt die slechts voor weinigen is weggelegd. In mijn vak noemen we dat de liefdesbreuk".
"Als kind hou je onvoorwaardelijk van je ouders. Niet omdat jij dat wilt, maar omdat het leven zelf je dat nu eenmaal voorschrijft. Je verwacht als kind voetstoots, dat je in ruil daarvoor diezelfde onvoorwaardelijke liefde ook van je ouders terug ontvangt. De liefdesbreuk vindt plaats op het moment waarop tot je doordringt dat dit een volstrekte illusie is en dat je daarmee tevens aanvaardt dat dit geluk in de praktijk niet voor je is weggelegd en dat dit ook nooit het geval zal zijn. Dat is een verdrietige gewaarwording. Maar na die langdurige huilbui bleek die meneer in elk geval uitstekend in staat om die kwaadaardige vader en familie achter zich te laten, kwam hij goed in zijn vel te zitten en ging hij een glanzende carrière tegemoet. Niet in de techniek dus”.
"Als kind hou je onvoorwaardelijk van je ouders. Niet omdat jij dat wilt, maar omdat het leven zelf je dat nu eenmaal voorschrijft. Je verwacht als kind voetstoots, dat je in ruil daarvoor diezelfde onvoorwaardelijke liefde ook van je ouders terug ontvangt. De liefdesbreuk vindt plaats op het moment waarop tot je doordringt dat dit een volstrekte illusie is en dat je daarmee tevens aanvaardt dat dit geluk in de praktijk niet voor je is weggelegd en dat dit ook nooit het geval zal zijn. Dat is een verdrietige gewaarwording. Maar na die langdurige huilbui bleek die meneer in elk geval uitstekend in staat om die kwaadaardige vader en familie achter zich te laten, kwam hij goed in zijn vel te zitten en ging hij een glanzende carrière tegemoet. Niet in de techniek dus”.
“In het Nieuwe Testament neemt de liefdesbreuk neemt een centrale plaats in tijdens het sterven van Christus. Nadat hij zich als zoon eerst nog ondergeschikt maakt aan zijn vader met de vraag:”Waarom heeft u mij dit aangedaan?”, vermant hij zich vervolgens en draait hij de rollen om, want is hij het die de vader de niet mis te verstane opdracht verstrekt:”Heer, in uw handen beveel ik mijn geest”.
“…bang om hun hart uit te storten…”
“Psychotherapie ben ik altijd blijven zien als een hoogwaardig spel. In de loop der jaren heb kreeg ik dat steeds beter onder de knie. Bij vlagen kwam het me aardig van pas dat ik in mijn jongere jaren altijd met veel plezier toneel heb gespeeld. Er kwamen hier nog wel eens mensen over de vloer die eigenlijk wel heel graag hun hart bij mij uit wilden storten maar toch te bang bleven om zichzelf vrijelijk uit te spreken. Hen maakte ik met een uitgestreken gezicht ijskoud wijs, dat ik in alle muren en ruiten van mijn spreekkamer een heel speciaal soort kooi van Faraday had laten inbouwen die bestand was tegen de meest geavanceerde afluisterapparatuur. Als dat nog onvoldoende hielp, voegde ik daar samenzweerderig aan toe dat dit hoognodig was omdat ik vaak met mensen gesprekken voerde waar je op de openbare weg door de eerste de beste politieagent meteen voor in je kraag zou worden gevat”.
“Niet zelden is psychotherapie echter letterlijk een spel op de grens van leven en dood. Dan ga ik met de ander dwars door diens hel. Aanvaarden blijkt dan een doorslaggevend verschil uit te kunnen maken. Dat bleek bijvoorbeeld bij herhaling bij mensen die aan een vergevorderd stadium van kanker leden. In nauwe samenwerking met oncologen kreeg ik steeds sterkere aanwijzingen dat chemotherapie vaak aanzienlijk beter aansloeg bij degenen die erin slaagden om de dreigende dood te aanvaarden dan bij hen die zich tegen dat idee bleven verzetten“.
“…tegen dovemansoren…”
“Het verwerven van baanbrekend inzicht gaat met risico’s gepaard. Dat bleek bijvoorbeeld toen een mevrouw mij belde om te zeggen dat haar echtgenoot zijn afspraak met mij niet kon nakomen omdat hij met zijn auto een voor hem fatale verkeersfout had gemaakt. Verbijsterd voegde ze er nog aan toe, dat ze totaal niet begreep hoe dat had kunnen gebeuren omdat hij altijd zo bedachtzaam reed. Ik kon haar slechts voorhouden, dat mensen zich soms met een schok realiseren hoeveel tijd zij op dwaalwegen verloren lieten gaan, dat een enkeling vervolgens een nauwelijks te bedwingen haast ontwikkelt om dit te herstellen, dat ik haar man bij herhaling nadrukkelijk had gewaarschuwd dat het leven het inhalen van verkwiste tijd niet toestaat, maar dat ik dit bij haar echtgenoot helaas tegen dovemansoren bleek te hebben gezegd”.
“Voor het onbewuste heb ik altijd een heilig ontzag behouden. Dat laat namelijk niet met zich spotten. In de vakliteratuur zijn een paar gevallen bekend waarbij het onbewuste in zijn geheel de overhand nam. Die mensen eindigden ongeneeslijk krankzinnig. Er zijn collega’s die tot de conclusie kwamen dat zich dit ook voordeed toen de apostel Johannes zijn Acopalyps onder woorden bracht” .
“Het wegdrukken van je schaduw levert je hoe dan ook aanhoudend gekrakeel rond je persoonlijkheid op. Om dat af te weren bouw je steeds dikkere muren van weerstand om jezelf heen, laat je steeds minder mensen tot jezelf toe en leg je jezelf gebroken en wel vast. Want achter al die weerstand van je schuilt nog altijd diezelfde Achillespees waarin anderen je zo gevoelig weten te raken. Vervolgens vraag je jezelf af: waar bemoeien ze zich eigenlijk mee? En daarmee hebben ze je precies waar ze je volgens jou willen hebben. Bij het minste geringste raak je buiten jezelf. Er deugt niemand meer voor je, geen mens snapt er meer wat van. Je bent niet meer te genaken”.
“Het wegdrukken van je schaduw levert je hoe dan ook aanhoudend gekrakeel rond je persoonlijkheid op. Om dat af te weren bouw je steeds dikkere muren van weerstand om jezelf heen, laat je steeds minder mensen tot jezelf toe en leg je jezelf gebroken en wel vast. Want achter al die weerstand van je schuilt nog altijd diezelfde Achillespees waarin anderen je zo gevoelig weten te raken. Vervolgens vraag je jezelf af: waar bemoeien ze zich eigenlijk mee? En daarmee hebben ze je precies waar ze je volgens jou willen hebben. Bij het minste geringste raak je buiten jezelf. Er deugt niemand meer voor je, geen mens snapt er meer wat van. Je bent niet meer te genaken”.
“…een Jumbo-jet met een tijdbom aan boord…”
“Zonder dat je daar zelf hoegenaamd iets van merkte, zonder aanwijsbare overgang dus, heb je het jezelf nog moeilijker gemaakt dan het al was. Eerst was je nog slechts in gevecht met jezelf. Dat kon je alleen maar verliezen. Toch gooide je daar nog een schep bovenop: stort je jezelf ook nog eens in gevecht met je omgeving. Overhoop liggen met jezelf mag dan in eerste instantie iets strikt persoonlijks zijn, het werkt wel degelijk door in je zaken. Want wie zet er nu geld op een Jumbo-jet met een tijdbom aan boord?”
“De enige oplossing is dat je het gevecht met jezelf in je eigen voordeel beslist. Pas dan tel je als mens – en niet alleen zakelijk gezien – volwaardig mee. Eerder niet. Zakelijke relaties beperken zich tot de vraag hoe beide partijen er beter op kunnen worden en zijn daarom een stuk eenvoudiger dan persoonlijke betrekkingen, want die omvatten alles wat zich maar aandient. Een sprekend voorbeeld daarvan blijft de man die als directeur van een groot bedrijf alles keurig op orde had, maar wiens echtgenote hem iedere ochtend zo hard naschreeuwde dat de buren ervan mee konden genieten:”Moet je meneer nou toch zien! Gaat ie weer de grote baas uithangen!”
“Volwassen word je niet zomaar. Het is in de verste verte niet iets dat zich automatisch aan je voltrekt als je een bepaalde leeftijd bereikt. En je wordt ook niet volwassen alleen maar omdat je dat wilt. Je wordt pas werkelijk volwassen, nadat je in het verlengde van je wil doelbewust een daad stelt ten opzichte van jezelf”.
“Gewoon: punt uit”.
“Die daad houdt in, dat je op een gegeven moment al je kinderlijke verlangens voor eens en voor altijd laat afsterven en daarmee voor de rest van je leven aanvaardt dat ze onvervuld zullen blijven - inclusief alle opwinding en lustgevoelens die eraan verbonden zijn. Je kunt alleen maar volwassen worden nadat je uit jezelf, uit eigen vrije wil en op eigen kracht, een punt zet achter je jeugd - en daarmee achter elke vorm van zelfbeklag, zelfverwijt, zelfmedelijden, zelfverloochening, zelfbedrog en zelfvernietiging. Gewoon een punt. Geen komma. Dus niet: wordt vervolgd. Volwassen worden verdraagt geen langzaam afbouwen, onnodig rekken of illusies waarmee je je leed denkt te kunnen verzachten. Ergens voorgoed een punt achter zetten doet nu eenmaal de nodige pijn. Daar zeur je niet langer over als je volwassen bent”.
“Ook een dubbele punt helpt je niet verder: elke vorm van uitleg of toelichting is overbodig. En een puntkomma is al evenmin op zijn plaats: als je werkelijk vooruit wil komen, of dat nu zakelijk of persoonlijk is, kun je niet met halve maatregelen volstaan. Een vraagteken is ook nergens goed voor. Met vragen en twijfels verander je niks, zak je slechts dieper weg en kom je er zeker niet uit. En ook met een uitroepteken schiet je niets op. Overdrijven, hoog van de toren blazen of opgewonden hoogstandjes maken je niet volwassen”.
“Volwassen ben je pas echt als je definitief een punt zet achter elke vorm van gevecht met jezelf. Eentje maar, meer niet. Geen puntje puntje puntje dus. Geen uitstel van executie meer. Niet: nu nog één keer om het af te leren. De prullenbak in met je roze bril en het raam uit met alle bakerpraatjes en ouwewijvenpraat. Beschouw dat allemaal van nu af aan maar als volstrekt voltooid verleden tijd”.
“Dan kun je net zo goed meteen in je kist gaan liggen”.
“Volwassen worden is uiteindelijk gewoon een kwestie van: punt uit - jezelf accepteren zoals je werkelijk bent, inclusief het besef van je ‘zelf’ én van je ‘ schaduw’. Pas dan kun je echt op jezelf leren bouwen; met alle risico’s vandien. Dat wordt vallen en opstaan. Daarbij loop je ongetwijfeld de nodige deuken op. Maar leven is nu eenmaal risico en avontuur. Geef je de voorkeur aan veiligheid? Dan kun je beter net zo goed meteen in je kist gaan liggen”.
“Wees blij dat je leeft, dat je bent wie je bent. Ook je schaduwzijde heb je niet voor niks. Beschouw ook die donkere kant als een wezenlijk onderdeel van je persoonlijkheid. Laat de weerstand tegen jezelf varen. Die weerstand heb je niet van jezelf. Daar werd je niet mee geboren. Die weerstand is er van buitenaf door anderen ingestopt. Het is in je eigen belang wanneer je daar wat minder tragikomisch mee om leert te gaan. Neem jezelf niet langer in de maling. Leer met andere ogen naar jezelf kijken. Vraag jezelf gerust af: hoe kon je het zover laten komen, hoe raakte je zo ver buiten jezelf? Duik maar eens diep terug in jezelf, buig jezelf over degene die je oorspronkelijk was. Hervind in je oorspronkelijke kern het houvast om onvervaard vooruit te kijken. Luister hierbij naar wat je schaduwkant je te zeggen heeft: dat daar krachten schuilen die je totnutoe voor jezelf verborgen hield”.
“Volwassen worden blijft iets angstaanjagends houden. En bang word je niet voor niks. Luister dus goed naar je angst. Zij vertelt je hoe sterk de krachten zijn die in je leven. Je zult er je handen aan vol hebben om die telkens weer in de door jou gewenste banen te leiden. Hoe sterk de krachten echter ook zijn waarmee je ter wereld kwam, dit betekent nog niet dat ze je ook maar één moment de baas hoeven te worden. Daar ben je nog altijd zelf bij”.
“Kom uit je schulp”.
“Krachten die je onderdrukt, keren zich tegen je. Laat ze eruit. Laat ze gelden. Pas dan kunnen ze in je voordeel werken en krijg je de diepgang die echt bij jou past. Kom uit je schulp. Vecht niet langer tegen jezelf en je zult zien: opeens vechten anderen graag met je mee, werken ze graag met je samen. Nu herkennen ze in jou iets van zichzelf, willen ze dezelfde kant op als jij, durven ze het avontuur met je aan”.
“Volwassen worden betekent, dat je zowel in jouw voordeel als dat van anderen ten volle op je aangeboren levenskracht vertrouwt, haar zoveel mogelijk vrij laat komen, haar weet te hanteren, te bundelen en te richten zodat ze concreet en aantoonbaar resultaat oplevert. Daarbij gaat het niet om een statisch vermogen, maar om een samenstelsel van levende krachten die je kunt ontwikkelen en die dan de motor vormen achter je groei. Die krachten kunnen echter ook gefrustreerd en geblokkeerd raken”.
“Volwassen worden staat of valt met de houding die je inneemt ten opzichte van jezelf. Je wordt pas echt volwassen wanneer je jezelf tenvolle aanvaardt. Dat veronderstelt dat je jezelf wilt leren kennen, dat je bereid bent om je blik naar binnen te richten en te inventariseren uit welke componenten je levenskracht bestaat”.
“In de regel werd ik geraadpleegd door mensen die het niet aan intelligentie ontbrak. Velen van hen waren goed tot zeer goed opgeleid. Zo heb ik hier ook wel eens een hoogleraar gehad. Binnen zijn vakgebied had hij zijn sporen ruimschoots verdiend. Maar hij kwam pas aan zichzelf toe nadat hij op zijn 70ste de universiteit achter zich liet. Pas toen drong in volle hevigheid tot hem door hoezeer hij zijn gevoelsleven verwaarloosd had”.
“In de regel werd ik geraadpleegd door mensen die het niet aan intelligentie ontbrak. Velen van hen waren goed tot zeer goed opgeleid. Zo heb ik hier ook wel eens een hoogleraar gehad. Binnen zijn vakgebied had hij zijn sporen ruimschoots verdiend. Maar hij kwam pas aan zichzelf toe nadat hij op zijn 70ste de universiteit achter zich liet. Pas toen drong in volle hevigheid tot hem door hoezeer hij zijn gevoelsleven verwaarloosd had”.
“We worden allemaal geboren met drie vermogens: voelen, denken en gedrag. Met het vermogen om te voelen is iets bijzonders aan de hand. Het woord vermogen duidt normaliter een kracht aan die pas echt haar werk begint te doen als je leert hoe je haar doelgericht tot ontwikkeling brengt. Dat is met voelen nergens voor nodig. Voelen we niet te leren. Denken wel. Het vermogen om te voelen is van meet af aan volledig ontwikkeld en werkt meteen feilloos en volstrekt betrouwbaar. Denken leren we daarentegen later pas. Slechts een beperkt aantal primaire gedragingen is aangeboren, maar voor het grootste deel hebben we te leren hoe we ons hebben te gedragen. Het leven zelf geeft dus duidelijk aan dat ons gevoel ons eerder ten dienste staat dan ons denken en ons gedrag. Die volgorde wordt in de loop van een leven nogal eens op zijn kop gezet. Mijn werk kwam er in hoofdzaak op neer om de natuurlijke volgorde weer zo goed mogelijk te herstellen door het gevoelsleven weer op de voorgrond te plaatsen, op de plek die het verdient”.
“Ik denk uitsluitend vanuit mijn gevoel”.
“Gevoel geeft kleur aan de manier waarop we de werkelijkheid beleven. Zonder gevoel zouden we een stuk van de realiteit missen, ons gedrag op onvolledige informatie baseren en niet kunnen overleven. Gevoeligheden zijn van invloed op de manier waarop kontakten met anderen verlopen. Samenwerking verloopt beter naarmate je gevoelens serieuzer neemt. Effectief leiding geven veronderstelt dat je de gevoelens van anderen bevestigt. Ik denk uitsluitend vanuit mijn gevoel en ga telkens weer op mijn intuïtie af”.
“Een meneer vertelde mij ooit dat zijn moeder hem herhaaldelijk een mengeling van dankbaarheid of schuldgevoel bleef bezorgen met de opmerking:”Ik heb je gebaard”. Het baren van een kind is echter geen menselijke verdienste; konijnen kunnen dat ook. De angel zat voor mij vooral in dat woordje schuldgevoel. Dat woord klopt namelijk niet. Schuld staat haaks op welk gevoel dan ook. Schuld is er, net als macht, alleen maar op uit om gevoelens te doden en daarmee elke menselijke vorm van leven om zeep te helpen”.
“Gevoelens drukken zich uit in lichaamstaal. Die wordt door anderen weerspiegeld en zo ontdekken we hoe we gevoelens kunnen nuanceren en delen. De mate waarin we gevoelens toelaten verschilt van persoon tot persoon. Onaangename gevoelens roept de neiging op om ze te onderdrukken. Dat vergt energie en gaat ten koste van het kontakt met anderen. Verdrongen gevoelens werken ondermijnend omdat je er dan geen vinger mee op kan leggen. Gevoelens die expliciet worden gemaakt, zijn eenvoudiger te hanteren. Gevoelens en gedachten geven vaak verschillende impulsen af. Dit roept gemengde gevoelens en spanningen op. Maar juiste keuzes worden uiteindelijk toch telkens weer op basis van gevoelens gemaakt. Onder mijn dak werd veel gehuild, maar minstens evenveel gelachen. Huilen en lachen zijn betrouwbare uitingen van het gevoel. Zij voorkomen dat je overspannen raakt”.
“...aan het verkeerde loket”.
“Als je alleen maar op je verstand vertrouwt, kom je niet verder dan tot een beperkt kontakt. Je verstand stelt je in staat om te denken. Dat doe je met je hersenen en speelt zich dus van binnen bij je af. Met je verstand bouw je denkbeelden op. Die zijn logisch en rechtlijnig, maar meer ook niet. Met je denken interpreteer je de werkelijkheid. Denken levert normen en waarden op; vertelt je hoe je behoort te gedragen. Denken reikt aan één stuk door keuzemogelijkheden aan en verschaft nooit echt houvast. Met je denken kun je alle kanten op. Dat laat de geschiedenis van de wetenschap zien: het ene moment werd bewezen dat de aarde plat was, terwijl hij daarna rond bleek te zijn. Hoe intelligenter mensen zijn, des te beter zijn ze in staat om op de proppen te komen met bedenksels waarmee ze hun gevoelens naar het tweede plan blijven verschuiven. Ik heb hier dus nogal wat smoezen, uitvluchten en dooddoeners het raam uitgewerkt. Met vragen of ze ergens verstandig aan deden waren mensen bij mij aan het verkeerde loket. Ik had er slechts aandacht voor hoe handig of onhandig ze omsprongen met hun eigen gevoelsleven en met dat van anderen".
“Elk gedrag is communicatie; ook niets doen zegt veel. Gedrag is naar buiten gericht. Het is het waarneembare resultaat van de combinatie van gevoel en verstand die zich allebei van binnen bij iemand afspelen. Gedrag kent talloze verschijningsvormen. Gedrag staat sterker dan gevoel en verstand onder invloed van dat wat in de omgeving als gangbaar wordt aanvaard. We beoordelen elkaar op al dan niet verstandig gedrag. Zolang je je gedrag en verstand hoger waardeert dan gevoel, leg je jezelf fundamentele beperkingen op: ontwijk je anderen voortdurend, beweeg je je slechts langs hen heen; hou je een kloof in stand die niet valt te overbruggen; ben je misschien nog wel te verdragen, maar tot vruchtbaar samenwerken kom je niet”.
“Klinkt goed, voelt slecht”.
“Wetenschap en gevoel hebben lang haaks op elkaar gestaan. Ook de medische wetenschap is lang wars van gevoelens geweest. Zo schrijven artsen in de regel nog steeds meteen medicijnen voor wanneer iemand ergens allergisch voor blijkt. Dat is nergens voor nodig en ook nergens goed voor. Allergie betekent letterlijk: overgevoelig. Dan is de emotionele ontwikkeling dus ergens uit het lood geslagen, want we komen allemaal ter wereld met precies de hoeveelheid gevoel die we nodig hebben. In mijn praktijk heb ik heel wat mensen al pratend van hun allergie af mogen helpen; zonder dat daar ook maar één medicijn aan te pas kwam - en dus ook zonder enige nadelige bijwerking”.
“Machthebbers en gezagsdragers die verkondigen, dat het gevaarlijk is wanneer gevoelens de boventoon voeren, zeggen dat met de beste bedoelingen. Maar zo gauw goeie bedoelingen opduiken, kun je beter meteen extra op je hoede zijn. Uit dergelijke uitspraken spreekt een immense angst voor gevoelens. En er valt tevens uit af te lezen hoezeer ze hun eigen gevoelens onderdrukken. De nadelige gevolgen daarvan zijn telkens weer te zien als ze gevoelige kwesties ter hand nemen. Mensen zijn beter uit met iemand zoals die hoogste baas van een groot concern die na een presentatie volstond met:”Klinkt goed, voelt slecht”.
“… in alle tevredenheid
als een onbekende door het leven gegaan”.
“Ik heb destijds doelbewust en consequent psychotherapie tot mijn vak gekozen en daarmee voor de private belangen van individuen – en dus uitdrukkelijk niet voor het publieke domein. In alle tevredenheid ben ik voor het grote publiek als een onbekende door het leven gegaan. Het resultaat van mijn werk stond of viel met mijn vermogen om in strikte beslotenheid een indringend en diepgaand kontakt met een ander te maken én dit te onderhouden. Ik trof hier nogal wat mensen die vooral getraind waren in het maken van kontaktbreuk. Daarin stonden ze niet echt alleen. Neem bijvoorbeeld de communicatie-industrie. Op grond van die naam zou je toch mogen verwachten dat zich in die bedrijfstak vooral mensen verzamelen die het maken van kontakt voorbeeldig hoog in hun vaandel hebben staan. Maar het grote aantal personeelswisselingen laat zien, dat ze juist in die sector vooral uitmunten in het aan de lopende band maken van kontaktbreuk”.
“…een koude kermis…”
“In de loop der jaren werd met enige regelmaat een beroep op me gedaan door mensen die in bredere kring aanzienlijk bekender waren dan ik. Wie dit laatste als een doel op zich nastreefde, kwam bij mij van een koude kermis thuis. Ik kon alleen maar mensen zinvol begeleiden wat hun bekendheid betrof als ze dat zagen als een voortvloeisel van datgene waar ze voor stonden. En zelfs daaraan zijn grenzen gesteld. Een te grote mate van bekendheid kan een te hoge drempel opleveren”.
-
“Zo hoorde psychotherapie voor iemand als Prins Claus gewoonweg niet tot de mogelijkheden. Iedere psychotherapeut, die hem als cliënt had aangenomen, had net zo goed meteen zijn praktijk kunnen sluiten, want zou binnen de kortste keren onder de voet zijn gelopen door lieden die er alleen maar op uit waren geweest om koste wat kost een glimp op te vangen van wat de prins daar besprak. Zelfs wanneer die therapeut daar geen woord van naar buiten zou hebben gebracht, zou hij vroeg of laat toch onverbiddellijk de schijn tegen zich hebben gekregen, want zouden sommigen het toch niet hebben kunnen laten om zelfs de meest onzinnige zaken uit hun duim te zuigen en aan de grote klok te hangen; alleen maar om zichzelf belangrijk te maken”.
-
“Zo hoorde psychotherapie voor iemand als Prins Claus gewoonweg niet tot de mogelijkheden. Iedere psychotherapeut, die hem als cliënt had aangenomen, had net zo goed meteen zijn praktijk kunnen sluiten, want zou binnen de kortste keren onder de voet zijn gelopen door lieden die er alleen maar op uit waren geweest om koste wat kost een glimp op te vangen van wat de prins daar besprak. Zelfs wanneer die therapeut daar geen woord van naar buiten zou hebben gebracht, zou hij vroeg of laat toch onverbiddellijk de schijn tegen zich hebben gekregen, want zouden sommigen het toch niet hebben kunnen laten om zelfs de meest onzinnige zaken uit hun duim te zuigen en aan de grote klok te hangen; alleen maar om zichzelf belangrijk te maken”.
“…kijk ze nooit aan…”
“Bekendheid kan je ten deel vallen als gevolg van wie je bent, wat je doet, het talent waarover je beschikt en de toewijding waarmee je dat ontwikkelt. Want telkens wanneer je uit hoofde van je werk en je prestaties naar voren treedt om de stand van zaken op jouw terrein toe te lichten, maak je ook iets van jezelf bekend. Dat kan zakelijk lonend zijn en de voldoening opleveren dat je door anderen wordt gezien en gehoord. Bekendheid pakt echter uitsluitend positief voor je uit wanneer je ook de negatieve kanten ervan op de koop toeneemt. Alleen dan kun je leren om er goed mee om te gaan. Zo leerde een cricketcoach mij al jong:”Het zal jou wel vaker overkomen dat het publiek je beloont met een applaus. Til dan je slaghout op ten teken dat je ze hebt gehoord, maar kijk ze nooit aan. Want ze klappen alleen maar zo hard in hun handen voor jou omdat je zo nadrukkelijk hun aandacht opeiste dat ze vervolgens zelf hoognodig even aan bod willen komen”.
“Bekendheid kan je overvallen en beschadigen. Het vergroot de kans dat je wordt besprongen door anderen, omdat jij de rol speelt en de waardering ontvangt, waarvan ze zich inbeelden dat die hen eigenlijk toekomt. Ze projecteren dan hun eigen aanpassingsproblemen en ondergeschiktheid op jou door zich aan je op te trekken of zich tegen je af te zetten. Hoe bekender je wordt, des te groter is de kans dat je openlijk in conflict raakt met collectieve opvattingen. Dat kan je uit je evenwicht slaan. En juist dat vormt voor sommige bekende personen letterlijk een kwestie op leven en dood”.
“Zo had ik hier ooit een autocoureur in therapie. Hij vertelde me dat zijn wagen hoekig reageerde als hij niet helemaal ontspannen achter het stuur zat. Om bij zichzelf te blijven stelde hij zich twee uur voor aanvang van elk race het stuur als een bal voor met een diameter van een meter en die stuiterde hij dan traag en gestaag heen en weer. Hij verbeeldde zich daarbij dat de bal daardoor kleiner werd en ging net zo lang door tot de bal voor zijn beleving een klein stuiterballetje werd. Het was voor die man dus van levensbelang dat hij goed in zijn vel bleef zitten”.
“…als een warme douche…”
“Bekendheid draagt ertoe bij dat je relatiepatronen verschuiven. Niet zelden roept dat ook in je directe omgeving extra spanningen op. Dit kan gepaard gaan met aanpassingsproblemen, verhoogt je kwetsbaarheid, verkleint je bewegingsvrijheid en vergroot de kans dat je je afzondert en afsluit. Bekendheid kan verslavend werken”.
“Op grond van een uitzonderlijke prestatie werd een meneer van het ene moment op het andere opgeblazen tot nationale bekendheid. Hij vertelde me, dat hij dat als een weldadig warme douche had ervaren. Maar in de media werd het even later rond zijn persoon weer net zo stil als voorheen. Dit liet hem zitten met het gevoel alsof hij opeens helemaal niets meer betekende. Dat kon hij zo slecht verstouwen dat hij naar de fles greep. Nogal wanhopig vroeg hij mij of ik hem daar vanaf wilde helpen”.
“Bekendheid kan een chronisch groeiende weerstand in de hand werken om reacties uit je omgeving waar te nemen en daar rekening mee te houden. Nieuwe negatieve ervaringen kunnen je bestaande huiver rond je bekendheid versterken en ertoe leiden dat je je nog meer isoleert. Dit kan uitmonden in een overwegend negatieve houding ten opzichte van je eigen bekendheid. Daar beleef je dan geen enkel plezier meer aan. Als dat eenmaal zo is, pakt je bekendheid ook meestal negatief voor je uit, niet alleen persoonlijk, maar ook zakelijk”.
“...van zijn huis een mausoleum gemaakt”.
“Een meneer omschreef zijn echtgenote als iemand die zich van een ‘star-gazer’ tot een ‘star-fucker’ had ontpopt. Ten einde raad was hij samenwerking met bekendheden steeds meer gaan mijden. Van zijn huis had hij in feite een mausoleum gemaakt. Dit werkte zakelijk niet in zijn voordeel. Ook zijn huwelijk werd er niet gelukkiger op, integendeel zelfs”.
“Zo’n negatieve instelling ten aanzien van je eigen bekendheid wordt in de regel gemaskeerd achter een presentatie waar ogenschijnlijk niets aan mankeert, maar die niet wezenlijk overtuigt en nog minder motiveert omdat er op zijn hoogst een kortstondige suggestie vanuit gaat. Zelfs het meest perfect georganiseerde en knapst bedachte imago blijft zo dood als een pier zolang het niet door jou, als mens, tot leven wordt gebracht. En je ontkracht elk imago bij voorbaat zolang je weerstand tegen je eigen bekendheid hebt”.
“Die weerstand wordt meestal door de jaren heen opgebouwd en kan dus niet worden bijgestuurd door je ondergeschikt te maken aan een theorie, een methode of een techniek. Wat mij betreft kwam het er uiteindelijk allemaal op neer hoe mensen autonoom zo bekwaam mogelijk met hun eigen bekendheid om leerden te gaan. Ook dan kon ik iets voor hen blijven betekenen op momenten dat de bekendheid rond hun persoon gemengde gevoelens bij hen opriep of zelfs uitgesproken negatief werd gewaardeerd”.
“Ik was er nooit op uit
om anderen ook maar enige teleurstelling te besparen”.
“Ik heb mijn werk altijd met liefde gedaan. Het verschafte me telkens weer energie door een ander een uur lang mijn onverdeelde aandacht te schenken. Tijdens een bezoek aan de tenniskampioenschappen van Wimbledon ging ik zo’n 10 jaar terug opeens compleet onderuit. Ik kwam pas weer bij in een ziekenhuis. Daar kreeg ik te horen dat ik op een haar na een acute aanval van suikerziekte had overleefd. Een week later zat ik weer achter mijn bureau en hervatte ik mijn praktijk. Daar knapte ik zienderogen van op”.
“Mijn houding was steeds klip en klaar: ik was er nooit op uit om anderen ook maar enige teleurstelling te besparen. Dat liet ik nog wel eens weten wanneer iemand op het punt stond om het zichzelf onnodig moeilijk te maken. Vaak bedacht men zich dan toch nog maar even”.
“Moeten heb ik altijd een heel smerig woord gevonden”.
“Mijn liefde voor mijn medemens bestond eruit, dat een ander van mij helemaal niks moest, nooit; moeten heb ik altijd een heel smerig woord gevonden. Ik ontleende plezier aan het simpele feit dat anderen bestonden. Dat ze allemaal van elkaar verschilden maakte het wel zo afwisselend. Ik nam kennis van hun diepste wensen en daar probeerde ik naar beste vermogen aan tegemoet te komen. Onnodige klachten hielp ik te voorkomen door vroegtijdig van advies te dienen en richtlijnen aan te reiken. In lastige situaties was ik mensen tot steun, wees ik ze aan hoe ze dagelijkse problemen konden oplossen en stond ik hen terzijde met praktische raad. Het belang van de ander stond voor mij tijdens elk consult centraal, zowel in persoonlijk als zakelijk opzicht”.
“Maar in mijn werk was het niet alleen liefde wat de klok sloeg. Om mijn taak goed uit te kunnen voeren, was het bewaren van de nodige afstand vereist, want mij ging het er slechts om dat de ander ook los van de relatie met mij vrij en zelfstandig de volle verantwoordelijkheid nam voor zijn of haar eigen leven. Bovendien bracht ik elk uur in rekening en liet ik na afloop de ander weer onmiddellijk aan diens lot over. Naast liefde bracht ik daarmee ook een afgeleide van haat in het spel. Met psychotherapie kun je alleen maar resultaten boeken zolang het stoelt op die mengeling van liefde en haat. Zonder die paradox is het weggegooid geld”.
“Vriendschap met cliënten was volledig uitgesloten”.
“Mijn werk hield ik strak gescheiden van vriendschap in de ware betekenis van het woord; die is immers voor geen geld te koop en blijft ook van kracht als er geen direct kontakt is. Vriendschap met cliënten was voor mij volstrekt uitgesloten. Als een van hen zich zelfs maar als lid op mijn tennisvereniging had aangemeld, had ik meteen mijn lidmaatschap opgezegd. Voor zover mensen mij als een vaderlijke vriend beschouwden, kwam dat alleen maar omdat ik daarvan mijn beroep had gemaakt. In werkelijkheid kon ik voor hen nooit meer zijn dan een vakbekwame vaderfiguur die per uur te huur was. Juist die beperking bracht soms nogal wat teweeg”.
-
“Een paar jaar geleden maakte ik een pijnlijke smak waarbij ik een paar ribben zo stevig kneusde dat ik aan mijn bed gekluisterd was. Diezelfde avond werd er aangebeld. Ik dacht: die vertrekt wel als er geen gehoor wordt gegeven. Maar de bel bleef net zo lang rinkelen tot het mijn onderhuurder teveel werd en die de deur alsnog opendeed. Er stond een meneer die mij al jarenlang raadpleegde en met wie ik een afspraak bleek te hebben. Mijn onderhuurder vertelde hem wat mij overkomen was en gaf hem te kennen dat ik hem onmogelijk te woord kon staan. Vanuit mijn slaapkamer hoorde ik, dat zelfs toen die meneer het nog niet kon laten afweten. Dus hees ik mij zo goed en zo kwaad als dat ging overeind en schuifelde ik voetje voor voetje in mijn pyama naar het trapportaal om hem er zienderogen van te overtuigen dat hij iets onmogelijks van mij verlangde. Ik kon alleen maar kreunen:”Het gaat niet meer”. Hij riep me slechts vertwijfeld toe:”Maar dat kan toch niet! U bent mijn vader!” Daarna keerde hij zich om, ging hij noodgedwongen weer helemaal in zijn eentje op eigen benen verder met zijn leven, liet hij mij begaan en liet ik hem los”.
-
“Een paar jaar geleden maakte ik een pijnlijke smak waarbij ik een paar ribben zo stevig kneusde dat ik aan mijn bed gekluisterd was. Diezelfde avond werd er aangebeld. Ik dacht: die vertrekt wel als er geen gehoor wordt gegeven. Maar de bel bleef net zo lang rinkelen tot het mijn onderhuurder teveel werd en die de deur alsnog opendeed. Er stond een meneer die mij al jarenlang raadpleegde en met wie ik een afspraak bleek te hebben. Mijn onderhuurder vertelde hem wat mij overkomen was en gaf hem te kennen dat ik hem onmogelijk te woord kon staan. Vanuit mijn slaapkamer hoorde ik, dat zelfs toen die meneer het nog niet kon laten afweten. Dus hees ik mij zo goed en zo kwaad als dat ging overeind en schuifelde ik voetje voor voetje in mijn pyama naar het trapportaal om hem er zienderogen van te overtuigen dat hij iets onmogelijks van mij verlangde. Ik kon alleen maar kreunen:”Het gaat niet meer”. Hij riep me slechts vertwijfeld toe:”Maar dat kan toch niet! U bent mijn vader!” Daarna keerde hij zich om, ging hij noodgedwongen weer helemaal in zijn eentje op eigen benen verder met zijn leven, liet hij mij begaan en liet ik hem los”.
“U vindt mij cynisch?”
“Loslaten is een eerste vereiste wanneer je als psychotherapeut goed je werk wil kunnen doen. Fysiek heb ik nooit moeite met lozen gehad: mijn stofwisseling en mijn nieren hebben altijd goed gefunctioneerd. Maar ik zou eraan onderdoor zijn gegaan gaan wanneer in emotioneel opzicht was blijven beklijven waar bezoekers mee aankwamen. Ik heb hier diverse mensen gehad die na afloop van een consult bij wijze van afscheid aankondigden, dat ze zich toch maar voor de trein gingen gooien of van een flat af zouden springen. Ik kon ze slechts vriendelijk toevoegen:“U denkt toch niet, dat ik uw restanten kom opvegen of dat ik klaar sta om u op te vangen?”. Daar keken ze nogal van op, maar bij mijn weten voegde geen van hen vervolgens de daad bij het woord. Dus, met alle respect: uit pure zelfbescherming zal ik er niet over inzitten wanneer u dood mocht neervallen nadat mijn pand verlaat. U vindt mij cynisch? Bedenk dan: cynisme stond in het Latijn voor een van de zeven vormen van verdriet. Mijn werk bracht ook voor mij wel degelijk verdriet met zich mee”.
“Net als ieder mens werd ook ik geboren met de primaire behoefte om te worden aanvaard. Die behoefte lijkt in onze ziel geprent op het moment dat we door onze echte vader worden verwekt. En het leven wil van meet af aan dat we van onze verwekker houden. Ook verlangen we ernaar dat dit wederkerig is. Die kinderwens wordt in werkelijkheid echter slechts hoogstzelden vervuld en des te vaker tekort gedaan. Dat brengt elementaire gevoelens van teleurstelling, frustratie, onveiligheid, angst, spanning, pijn, woede, verdriet en depressie met zich mee. Des te sterker doet zich de behoefte gevoelen aan de ideale vader”.
“Ideale vaders bestaan echter net zo min als ideale vrienden. Zoals elk ideaal zijn zij slechts bedenksels die getuigen van een onwerkelijke werkelijkheid. Die constatering neemt de behoefte echter nog altijd niet weg. Die blijft zich richten op anderen van vlees en bloed. Met hen hopen we onze gevoelens zoveel mogelijk te kunnen delen. Maar onze primaire behoefte aan volledige aanvaarding blijft onvervulbaar. Dit levert in elke relatie frustraties op. Die proberen we zo goed en zo kwaad als dat gaat binnen die relaties af te voeren. En juist een gesprek met een vakkundig psychotherapeut leent zich daar bij uitstek voor”.
“In mijn werk legde ik de lat voor mezelf niet minder hoog dan ik voorheen in de sport had gedaan. Mijn vak bracht met zich mee om tijdens elk consult de ander tegemoet te treden als diens constante, onverstoorbare en onverwoestbare metgezel. Ieder uur probeerde ik als een tijdloze held aan diens zijde te staan alsof dat voor de duur van zijn leven was. Aan mij mochten anderen afmeten hoe ver zij gevorderd waren op hun eigen pad en aan mij konden ze hun eigen gedragingen toetsen. Ik luisterde naar hun woorden en sloeg ze scherp gade. Gelukkig was ik gezegend met een geheugen als een ijzeren pot, dus notities hoefde ik niet te maken. Dat zou me alleen maar hebben afgeleid van wat er in hen omging. Ik trainde mezelf voortdurend om één en al oor en oog voor hen te zijn, probeerde mij in hen te verplaatsen, respecteerde hoe ze in elkaar zaten en trad hen met open vizier tegemoet. Ik verlangde niet van hen dat ze volmaakt waren, maar aanvaardde hun tekortkomingen. Ik bevestigde, bekrachtigde en versterkte hen waar ik maar kon. Aan mij konden ze kwijt wat ze maar wilden. Ik probeerde hun beweegredenen ten diepste doorgronden, gaf veel van mijn eigen ervaringen bloot om mijn bevindingen zodanig te weerspiegelen dat zij zich daarin konden herkennen”.
“Zonder hen te willen kwetsen praatte ik hen niet naar de mond, maar hield hen zonder omwegen mijn eigen wijs– en onwijsheden voor. Ik gaf hen zo eerlijk mogelijk mijn mening, maar stelde die niet op de eerste plaats. Ik beperkte me ertoe om nauwlettend te constateren wat ik bij de ander aantrof en beschreef dit zo exact mogelijk. Ik onthield me van ethische en morele oordelen: je verandert niets door te zeggen wat je ergens van vindt. Van mensenbedenksels trekt het leven zich geen zier van aan. Ook ging het mij niet om mijn gelijk. Elke discussie over de vraag wie er gelijk heeft beschouw ik als een complete verspilling van tijd en energie. Ik probeerde hen te helpen om hun twijfels te overwinnen en de juiste afwegingen te maken. Met mij filosofeerden zij over hun leven en over dat van mij. Het gesprek met mij konden ze staken wanneer ze maar wilden, maar op elk gewenst moment konden ze het weer hervatten. Ik beklaagde me niet wanneer ze niets meer van zich lieten weten”.
“Ik probeerde hen telkens weer te motiveren
om toch vooral dóór en voort te gaan”.
“Ik legde mij erop toe om meer dan een praatpaal en een klankbord te zijn. Ik trachtte consequent een discrete toeverlaat te zijn waar anderen onvoorwaardelijk op konden vertrouwen en rekenen. Als ze daarom vroegen, stond ik uit vrije wil meteen klaar om hen naar beste vermogen te helpen, schoof zonodig andere zaken opzij, regelde meteen wat maar mogelijk was. Ik probeerde hen telkens weer te motiveren om toch vooral dóór en voort te gaan”.
“Ik stelde mij ten doel dat mijn cliënten precies wisten waar ze met mij aan toe waren. Ik maakte hen duidelijk dat ze er zichzelf doorheen dienden te slaan, wat er ook gebeurde. Ik volgde hen en zij mij. Ze deelden toppen en dalen met mij, lief en leed. We beleefden zowel mooie als lelijke dingen met elkaar. Ik zette mij vierkant in om hen te helen, te voeden en te beschermen. Ik streefde ernaar om hen in evenwicht houden en tot zichzelf te komen. Liefdevol bood ik hen zoveel mogelijk veiligheid. Dat stemde mij tot voldoening en dankbaarheid”.
“Ik verdroeg geen algemeenheden, oppervlakkige kreten, bombastische rimram en ander slap gezwets”.
“Ik kon het slecht hebben wanneer de ander niet goed in zijn vel zat en deed er alles aan om diens slechte humeur te laten verdwijnen. Zo opgewekt, vriendelijk en innemend als ik maar kon trad ik hen telkens weer tegemoet om samen met mij te kunnen genieten van het licht in ons bestaan. Mijn vriendschap was voor geen goud te koop, maar ik vergde wel dat de ander en ik voortdurend in onszelf en in het kontakt met elkaar investeerden. Dat ging soms ten koste van veel, maar dat maakte niet uit”.
“Ik liet zo min mogelijk kansen voorbij gaan om recht uit mijn hart te spreken. Dat maakte een breed scala gevoelens bij anderen los. Als daar echt aanleiding toe was, deed ik mezelf zonodig te kort en cijferde ik me desnoods weg om hen er weer bovenop te krijgen. Daar maakte ik zo min mogelijk woorden aan vuil. Mijn inbreng was moeilijk in woorden te vatten, want ik verdroeg geen algemeenheden, oppervlakkige kreten, bombastische rimram en ander slap gezwets. Ik zette alles op alles om iedere ontmoeting te verheffen tot de bijzondere, speciale, edele en zeldzame genoegens die een mens als goed, echt en waar beleeft”
“Hoe nadrukkelijker de ideale vader in de praktijk van het dagelijks leven blijkt te ontbreken, des te sterker wordt de aandrang om die leegte op te vullen met de mythische figuur van de vaderlijke vriend. Diens gestalte heeft slechts een symbolische betekenis en komt in het echt niet voor. Maar juist daarom gaat hij nooit teloor. Ook voor mij was het geenszins weggelegd om dat droombeeld voor de volle 100 procent te belichamen. Dat neemt niet weg dat je er naar kunt blijven streven om er zo dicht mogelijk bij in de buurt te komen. Ik ontleende daar in elk geval richting en perspectief aan voor mijn werk”.
“…aanvaarden dat je nooit volledig zal worden aanvaard”.
“Voor zover anderen in mij de ideale vader probeerden te vinden, hield ik hen telkens weer voor dat ze die pas echt gewaar konden worden wanneer ze hem niet langer in mij of een ander zochten maar in zichzelf. En daar vind je hem pas wanneer je durft te aanvaarden dat je nooit volledig zal worden aanvaard. Met die feitelijke constatering zette ik de ander telkens weer stevig op diens eigen voeten neer en ontstond de ruimte voor elk van ons om ieder weer onze eigen weg te gaan. Want elk consult bleef doordrongen van de noodzaak om elkaar daarna weer helemaal los te laten”.
“Het nieuwe kan er pas in als het oude eruit is”.
“Wanneer je je duurzaam wilt ontwikkelen en wilt groeien, zit er niets anders op dan dat je steeds meer bekwaamt in loslaten. Dat voert je door overgangen, of dat nu doorbraken of omwentelingen zijn. Bij elke afsluiting en voor elk nieuw begin geldt: het nieuwe kan er pas in als het oude eruit is”.
“Met het volledig loslaten van mijn eigen vader heb ik tot mijn 80ste moeite gehad. Pas op die leeftijd kon ik voor de volle 100 procent onder ogen zien dat ik hem als alibi gebruikte voor de grootste fout van mijn leven: ruim 60 jaar lang blies ik 60 sigaretten per dag de lucht in. Ik ben nooit bang geweest dat ik daar een longkwaal aan over zou houden, maar toch ben ik er 5 jaar geleden voorgoed mee gestopt. Daar had ik een heel duidelijk motief voor: ik wil mijn laatste schreden in geen enkel opzicht zetten als een slaaf, van wie of wat dan ook; zeker niet van de herinneringen aan mijn vader. Van afkickverschijnselen heb ik geen last gehad. Maar nadat ik mijn laatste peuk uitdrukte werd ik me wel steeds nadrukkelijker bewust, waarom ik zo lang een rookgordijn rond mezelf optrok. Dat had vanalles met mijn vader te maken. Want dat was pas een roker. Hij was ook een enorme charmeur. De vriendinnen van mijn moeder zeiden telkens weer:”Wat rookt die man van jou toch mooi!”.
"Ik gaf het roken eraan nadat ik me realiseerde dat ik hem met al mijn hem gepuf was blijven nadoen en daarmee ook bleef vasthouden en dat ik dit onbewust deed om daarmee een agressie jegens hem te verdringen. Die agressie was achteraf best verklaarbaar en gerechtvaardigd. Want voor mij was hij er nooit. Maar dan ook helemaal nooit”.
"Ik gaf het roken eraan nadat ik me realiseerde dat ik hem met al mijn hem gepuf was blijven nadoen en daarmee ook bleef vasthouden en dat ik dit onbewust deed om daarmee een agressie jegens hem te verdringen. Die agressie was achteraf best verklaarbaar en gerechtvaardigd. Want voor mij was hij er nooit. Maar dan ook helemaal nooit”.
“We dachten nog even: ha lekker!”
“In veel opzichten was mijn vader best een indrukwekkende en voorbeeldige man. Tijdens de oorlog begeleidde hij als kapitein van de koopvaardij vanuit Londen van die grote voedselkonvooien over de Atlantische Oceaan. Wij, zijn drie zonen, zaten hier in Holland met moeder opgescheept, de hele oorlog lang. Na de bevrijding kregen we bericht dat hij weer naar ons toe kwam. Maar eerst arriveerde er een gigantische kist. Wij hadden net de hongerwinter achter de rug en dachten nog even:”Ha, lekker!” Toen we die kist hadden opengebroken, kwam er alleen maar rookwaar uit: sigaren, sigaretten, shag, vloeitjes, pijpen en pijptabak. We hadden zo een tabakspeciaalzaak kunnen beginnen. Pas de volgende dag bezorgde de posterijen een kleiner kistje. Daar zat etenswaar in voor ons. Een paar dagen later verscheen hij zelf. Met drie nieuwe Engelse fietsen voor ons, zijn zonen. En er zat ook een enorme asbak in. Die zette hij op zijn nachtkastje en daar drukte hij ‘s avonds zijn sigaar in uit voordat hij het licht uitknipte. Die peuk stak hij de volgende ochtend meteen weer aan als hij zijn pantoffels aanschoot”.
“Dat zal wel iets met zíjn moeder te maken hebben gehad. Die oma van mij was echt een monster. Dat mag u een groot woord vinden, maar ik zal het u aantonen. Haar ene dochter dreef ze regelrecht op jonge leeftijd het graf in, want die maakte zelf een eind aan haar leven. En de andere, mijn suikertante, had ze zo onder de duim dat die tot in lengte van dagen tot een eenzaam bestaan gedoemd was, hoezeer ze haar kwaliteiten als mens en als lerares ook ontwikkelde. Mijn monsterlijke grootmoeder zat op haar oude dag vrijwel zonder enig inkomen. Ze teerde vrijwel geheel op het geld dat mijn tante binnenbracht. Als mijn tante mij dan eens op een uitje wilde trakteren, moest ze haar moeder om geld smeken - haar eigen geld dus. En oma wierp dan uiteindelijk verachtelijk en kwaadaardig munten voor haar neer, op de grond. Dan zag ik hoe mijn lievelingstante die centen op haar knieën op moest rapen”.
“Een paar jaar vóór de Tweede Wereldoorlog nam die tante mij ter lering mee naar Düsseldorf naar zo’n massamanifestatie waar Hitler het Duitse volk toesprak. Na een van diens passages over het superieure Arisch ras vroeg mijn tante me zachtjes:”Zie jij hier veel blonde blauwogige mensen?”. En na afloop toonde ze me de gigantische hoeveelheden bier die achter het podium stonden opgeslagen en zei ze:”Dan weet je nu ook waar al dat opgewonden enthousiasme aan wordt ontleend”.
“Loslaten doe je niet voor je lol”.
“De noodzaak tot loslaten dient zich nadrukkelijk aan wanneer je spel stroef verloopt of stagneert. Dit vereist, dat je ergens een punt achter zet. Dat doe je niet voor de lol en nog minder om anderen te behagen. Door los te laten zet je zekerheden op losse schroeven. Dat is lastig en weerbarstig en voelt angstig, bedroevend en pijnlijk aan”.
“Loslaten gaat niet zelden gepaard met tranen. Net als lachen is huilen een manier die ons door de natuur gegeven is om het een en ander af te voeren. Een huilbui is als het breken van het vruchtwater dat aan een geboorte voorafgaat. Troostende woorden of gebaren bood ik niet, alleen al omdat die het loslaten kunnen remmen”.
“Loslaten vergt dat je voortdurend bereid bent om de beelden te herzien die je van jezelf en van anderen hebt gevormd; het verlangt dat je op een zeker moment metterdaad ‘nee’ zegt tegen mensen of zaken waar je eerder nog ‘ja’ tegen zei - en omgekeerd. Het roept weerstand op wanneer je iemand of iets achter je laat waarmee je vertrouwd was geraakt. Loslaten verlangt echter, dat je geen moment voor de rol van slachtoffer kiest”.
“Loslaten verlicht namelijk ook en lucht op. Het helpt je afstand te nemen en je kalmte te bewaren. Het brengt je gevoelens en gedachten nader tot elkaar. Loslaten zet angst om in vastberadenheid. Het brengt je tot jezelf en maakt je dienstbaar aan je aangeboren vermogens. Loslaten bevrijdt je stukje bij beetje van al datgene, dat je min of meer als een vanzelfsprekend deel van jezelf en je eigen bestaan was gaan ervaren, maar dat daar in wezen ooit slechts door anderen in werd gebracht, min of meer bezit van je nam en je in een bepaalde richting voortdreef”.
“Elke speler die het veld verlaat,
wordt te allen tijde door zijn medespelers geëerd”.
“Loslaten volgt zijn eigen weg en toont je wat het leven jou werkelijk te bieden heeft. Door consequent los te blijven laten, vind je leven gaandeweg de vorm die jou het beste past en wordt ook duidelijk hoeveel waarde en welke plaats jij jezelf toekent”.
“Elke investering in loslaten is niet alleen van persoonlijke aard, maar ook zakelijk verantwoord, want betaalt zichzelf terug. Loslaten werkt als een tweesnijdend zwaard: het scheidt liefdevol én onverbiddelijk het kaf van het koren. Het motiveert tot de inzet en betrokkenheid die nodig is om je spel op het hoogst haalbare peil gaande te houden”.
“Loslaten kent als leidend beginsel, dat elke speler die het veld verlaat, te allen tijde door zijn medespelers wordt geëerd - hoe hij zijn spel ook speelde. Daarmee bevestigen zij, dat hij deel uitmaakte van een spelverband, dat de kwaliteit van de onderlinge en wederzijdse betrekkingen van doorslaggevende invloed verklaart op het spelverloop in zijn geheel”.
“…behaagziek…”
"Ik had me al langere tijd voorgenomen om op mijn 80ste mijn werk voor gezien te houden te sluiten. In mijn ogen wordt leeftijd maar al te gemakkelijk misbruikt als een uitvlucht om niet volwassen te hoeven worden. Laatst wilde een mevrouw van 65 er de brui aan geven. Nadat ik tegen haar zei:”Als ik uw jeugdige leeftijd nog had, dan zou ik het wel weten”, bleek dat bleek voldoende voor haar om de moed weer te hervatten”.
“Nadat ik rond mijn 80ste mijn praktijk definitief had stopgezet, bleven sommigen me toch nog met enige regelmaat raadplegen. Een paar mensen hielden daar zelfs aan vast nadat ik mijn spreekkamer buiten gebruik had gesteld. Om op subtiele wijze duidelijk te maken dat ze buiten de officiële speeltijd om een beroep op me deden, rekende ik hen voor die consultaties geen honorarium meer aan. Door een enkeling werd dit echter anders uitgelegd dan in mijn bedoeling lag. Bij vlagen dreigde er een speciale, bevoorrechte status aan te worden ontleend; ging men zichzelf ten onrechte min of meer zien als mijn vriend en werd geprobeerd om de psychoananalyticus in mij naar het tweede plan te drukken. Met averechts effect, mag ik wel zeggen”.
“Zo vroeg een mevrouw me laatst nog vriendelijk of ik haar uit wilde leggen waarom ik haar bij wijze van uitzondering nog altijd ontving. Door zichzelf uitzonderlijk te verklaren, gaf ze mij indirect maar onmiskenbaar aan dat ze graag een aai over haar bol van me wilde. Ze keek redelijk beteuterd toen ik haar behaagziek noemde. Vervolgens zei ik tegen haar:”In de vijfenveertig jaar dat ik mijn praktijk had, heb ik zelden iemand ontmoet die in haar jongste jaren zo naar het leven is gestaan als u is overkomen. Dit ijlt nog steeds in uw gedrag door en werkt niet in uw voordeel. En met mij is het eenvoudigweg zo: als ik daarop stuit, dan komt er vanzelf iets in mij in het geweer. Ik kan gewoon niet anders”. Ook deze consultatie verliep verder in uitstekende harmonie. Die mevrouw heb ik daarna niet meer gezien of gehoord. Zij kon er nu pas echt op eigen kracht tegenaan”.
“Nou, dan ga ik maar dood”.
“Ik geloof niet in een leven na de dood; als je eenmaal iets gelooft, kan je wel vanalles geloven. Tegen mijn dood zie ik niet op. Daar ben ik al lang vertrouwd mee geraakt. Ik ben het grootste deel van mijn leven dagelijks vele malen een beetje gestorven. Telkens weer raakte ik een stukje van mijn kinderlijke illusies kwijt. Jezelf tot een volwassen mens ontwikkelen gaat voortdurend met afsterven gepaard en daarmee ook met het overwinnen van de angst voor de dood”.
“Destijds bij het zwemmen hikte ik op een gegeven moment tegen het behalen van een recordtijd aan. Maar telkens als ik daarbij in de buurt kwam, stagneerde ik. Mijn trainer gaf als verklaring:”Je bent nog altijd bang om te verdrinken. Wat jij tegen jezelf moet blijven zeggen is: nou dan ga ik maar dood”. Dat record sneuvelde na een tijdje. Ik vermoed dat Ellen van Langen op basis van hetzelfde uitgangspunt in 1992 Olympisch kampioen op de 800 meter hardlopen werd. Toen ze over de finish kwam zag je aan haar dat ze over de doodsgrens was gegaan”.
“In elk geval heb ik met de raad van die zwemtrainer later ook anderen vaker over een dood punt heen weten te helpen. Zoals een meneer die na een wandeling een lichte hartaanval had gehad. Cardiologisch gezien knapte hij daar al een tijdje weer helemaal van. Maar telkens als hij een stap buiten de deur deed, deden zich alle symptomen van die hartaanval weer voor. Hij is net zo lang “dan ga ik maar dood” blijven herhalen tot al die symptomen uiteindelijk vanzelf weer helemaal verdwenen”.
“Maar als hij dan schiet?”
“Ook herinner ik mij een mevrouw die zich los probeerde te maken van het schrikbewind van haar tyrannieke vader. Hij had gedreigd bij haar aan te bellen met in zijn hand een shotgun waar hij naar eigen zeggen de loop vanaf had gezaagd en zij wist niet zo goed wat ze daar nu weer mee aanmoest. Nadat ik zei:"Gewoon opendoen, lijkt mij", vroeg zij:"Maar als hij dan schiet?" Waarop ik alleen maar kon antwoorden:"Dan gaat u dood". Op dat moment keek ze me nogal verbaasd aan, maar die doodsdreiging heeft ze getrotseerd. Die vader is nooit met die shotgun aan haar deur verschenen en kreeg zijn dochter nadien een stuk minder makkelijk in de gordijnen".
Zijn telefoon rinkelt weer.
Op precies dezelfde manier als daarnet brengt hij ook nu weer het kontakt op gang. Het gesprek duurt ditmaal nog minder dan een halve minuut. aan Nadat hij de hoorn weer terug op de haak heeft gelegd, kijkt hij me met een voldane glimlach aan:“Dit was een mevrouw die de afgelopen tien jaar als volledig arbeidsongeschikt door het leven ging. Ze belde om een afspraak met mij af te zeggen omdat ze het zo verbazingwekkend druk had op haar werk. Ik beleef daar evenveel genoegen aan als zij”.
“…met zuinigheid en vlijt…”
“Zo ontleende ik er ook een zekere voldoening aan dat ik rond mijn 70ste nog een tweede huisje als vakantieverblijf in Zeeland kocht van een ontwikkelingsmaatschappij. De directeur daarvan vond dat voor iemand van mijn leeftijd zo opmerkelijk, dat hij persoonlijk bij me langs kwam om te kijken wat voor een vlees hij met mij in de kuip had. Ik haalde voor hem het oude gezegde aan:"Met zuinigheid en vlijt bouwt men huizen als kastelen" en legde hem uit dat ik 45 jaar lang iedere werkdag zo'n 12 mensen ontving, dat ik het op de zaterdagen wat rustiger aan deed en het aantal bezoekers tot 10 beperkte, elke zondagochtend mijn administratie verzorgde en de zondagmiddagen vrijhield voor een stevige wandeling door de duinen of voor de sport. Dit laatste beperkte zich uiteindelijk overigens tot bezoeken aan de thuiswedstrijden van de hockeyclub. Daar hielden ze aan het grote raam in de kantine een rijtje tafels en stoelen vrij voor ouwe knarren die ooit, net zoals ik, in het eerste hadden gespeeld. Met hen wisselde ik vooral amusante commentaren uit op de beslissingen van de scheidsrechters".
"Dat huisje in Zeeland was overigens van alle gemakken voorzien en zat het grootste deel van tijd in de verhuur, maar ik verbleef er zelf toch ook ieder jaar een paar weken en zwom dan voor mijn plezier zoveel mogelijk kilometers langs de kustlijn".
“U zou trouwens de mensen de kost moeten geven die van hun bezoeken aan mij een uitje maakten door het te koppelen aan een wandeling langs het strand. Psychotherapie maakt alleen maar enige kans van slagen wanneer iemand het zichzelf van ganser harte gunt om geheel op eigen kracht zijn eigen weg door het leven te vinden en niet omdat ie dat van zichzelf of van een ander moet. Ik prees ook niemand de weg aan die ik voor mezelf volgde. Ik was geen gids die voor hen uitliep. Ik liep als het ware telkens alleen maar een uurtje met hen mee op hun pad”.
“Zegt u het maar...”
“Op verzoek van derden had een van mijn collega’s had iets over zijn manier van werken op papier gezet. Juist hem acht ik in staat om ons vakgebied wezenlijk te verbeteren. Dat heb ikzelf niet gedaan. Ik heb op zijn hoogst het aanvaarden en loslaten wat verder aangescherpt dan toen ze mij tijdens mijn opleiding werden aangereikt. Voordat hij zijn notities afrondde, vroeg hij mij of ik er eens naar wilde kijken. Dat heb ik gedaan. Daarna gaf ik het hem terug. Hij vroeg me om commentaar. Dat heb ik hem niet gegeven. Ik heb alleen maar gezegd: zo doe jij het dus”.
“Om anderen consequent en naar mijn beste vermogen van dienst te zijn bij hun zoektocht naar een vrij en zelfstandig bestaan, opende ik elk consult met de opmerking:”Zegt u het maar”. Hiermee verschafte ik hen de vrijheid om de inhoud van het gesprek zelf te bepalen. En ook bij wijze van afronding zei ik iedere keer weer opnieuw:”Zegt u het maar”. Zodoende liet ik ze ook helemaal vrij om te besluiten of ze het gesprek op een later tijdstip al dan niet wilden voortzetten. Des te aardiger vond ik het dat mijn kontakt met veel bezoekers zich over langere tijd uitstrekte, soms zelfs over tientallen jaren”.
“Er deden zich regelmatig momenten voor waarin sommige mensen zo krap bij kas zaten, dat zij zich afvroegen of ze zich het kontakt met mij nog wel konden permitteren. Ik liet hen dan weten, dat geld in mijn spreekkamer geen gespreksthema was en dat ze niet de eersten waren die een tijdlang mijn declaraties niet konden betalen; sommigen maakten het pas jaren later aan mij over. Zelf heb ik nooit over gebrek aan geld te klagen gehad, maar ik ben het altijd blijven beschouwen als het slijk der aarde. En een zwemmer die een record wil breken doet er handiger aan om in schoon water te duiken dan in de modder. Het aardige was: in al die jaren is er vrijwel niemand geweest die mijn nota’s niet heeft voldaan. Hier valt uit af te leiden hoezeer psychotherapie staat of valt met vertrouwen over en weer tussen twee mensen en dat dit niets te maken heeft met de stand van hun bankrekening”.
“…jammerlijk en bedroevend..”
“Ik heb altijd zo min mogelijk in willen grijpen in de manier waarop en het tempo waarmee het gevoelsleven van anderen weer tot wasdom kwam. Bij elk van hen kende dat zijn eigen tijd. Het zou alleen maar averechts hebben gewerkt wanneer ik dat van buiten af al te zeer zou hebben geprikkeld. Zowel heuglijke als droeve mededelingen nam ik daarom uitsluitend ter kennisgeving aan, dus zonder te feliciteren of te condoleren. Ik week daar alleen maar vanaf als zich iets had voorgedaan dat werkelijk hartverscheurend was. Maar zelfs dan volstond ik ermee om te beamen dat het inderdaad jammerlijk en bedroevend was. Daarmee was alles wat mij betreft wel gezegd”.
“Hoe machtelozer en hulpelozer, des te menselijker kom je vanzelf in het leven te staan. En een mens ben ik ondertussen wel. Ik ben echter zeker niet de enige - al zien de meesten er weliswaar aan de buitenkant ook zo uit, maar gedragen ze zich niet anders dan aangeklede dieren. Een secretaresse blafte me laatst telefonisch nogal af. Nadat ik haar liet weten dat ze veel weg had van keffende hondje, was er meteen sprake van een beter kontakt”.
“Ik dacht regelmatig: dit is onbegonnen werk”.
“Slechts weinig mensen hadden in de gaten hoeveel inspanning mijn werk feitelijk vergde. Ik ben keer op keer samen met anderen dwars door hun hel gegaan en heb bij wijze van spreken voortdurend recht met hen in hun graf meegekeken. Ieder uur opnieuw stak ik al mijn energie in het levensverhaal van de een na de ander, reikte ik hen naar beste vermogen iets aan waar ze werkelijk baat bij zouden kunnen hebben en moest dan achteraf maar al te vaak tot de conclusie komen dat ze er in feite weinig of niets mee deden en gewoon op de oude voet voortleefden. Of het desondanks allemaal zin heeft gehad? Als u die vraag zo formuleert, klinkt dat mij nog iets te zinnelijk. Ik heb wel regelmatig gedacht: dit is onbegonnen werk. Maar dat was nog geen reden om er niet aan te beginnen, want het alternatief zag er nog minder aantrekkelijk uit. Des te meer plezier ontleende ik eraan wanneer iemand er werkelijk herboren uit tevoorschijn kwam”.
“Binnen onze maatschap behandelden mijn twee collega’s en ik ruim twee keer zoveel mensen als de negen psychologen van het RIAGG in Haarlem. Daar begrepen ze bij het RIAGG maar weinig van. Begrijpen, het woord zegt het al: het getuigt van het streven om iets te grijpen. Met dus de kans dat je het fijnknijpt en vermorzelt. Het leven heeft iets wonderlijks dat zich niet laat zich grijpen".
"Toch was in dit geval de verklaring nogal simpel: wij bereikten ons resultaat door de manier waarop wij naar de functie van spelregels keken. Voor ons hadden die ten doel om het spel zo goed mogelijk tot zijn recht te laten komen. Dat lukt alleen maar als de spelregels ten dienste staan van de spelers. Hoe minder regels, des te meer ruimte is er voor de spelers om hun vaardigheden te kunnen ontplooi en des te meer kan het spel aan kwaliteit winnen. Hoe die spelers dat klaarspelen laat zich niet grijpen. Naarmate bestuurders zich meer in het spel mengen, worden de spelers meestal al bij voorbaat ondergeschikt gemaakt aan een groeiende berg voorschriften, regels en protocollen. Dan hoef je niet raar op te kijken wanneer de spelers daarin verstrikt raken en het spel grotendeels vastloopt”.
"Toch was in dit geval de verklaring nogal simpel: wij bereikten ons resultaat door de manier waarop wij naar de functie van spelregels keken. Voor ons hadden die ten doel om het spel zo goed mogelijk tot zijn recht te laten komen. Dat lukt alleen maar als de spelregels ten dienste staan van de spelers. Hoe minder regels, des te meer ruimte is er voor de spelers om hun vaardigheden te kunnen ontplooi en des te meer kan het spel aan kwaliteit winnen. Hoe die spelers dat klaarspelen laat zich niet grijpen. Naarmate bestuurders zich meer in het spel mengen, worden de spelers meestal al bij voorbaat ondergeschikt gemaakt aan een groeiende berg voorschriften, regels en protocollen. Dan hoef je niet raar op te kijken wanneer de spelers daarin verstrikt raken en het spel grotendeels vastloopt”.
“Ik had mij aanvankelijk voorgenomen om op mijn 80ste een leerboek te schrijven met een samenvatting van mijn bevindingen. Daar is het niet van gekomen. Dat is jammer, maar meer ook niet. Een collega uit Canada beëindigde zijn praktijk en stuurde mij het manuscript waarin hij zijn ervaringen en inzichten op een rijtje had gezet. Hij vroeg mij om het eens door te lezen. Ik schreef hem terug: volgens mij klopt alles van begin tot het eind, maar tenzij je als martelaar wil eindigen: als ik jou was zou ik het niet publiceren, want ze maken je af. De mensheid wil nu eenmaal bedrogen worden, desnoods koste wat kost. Dat zal ook nooit veranderen, hoe spijtig u en ik dat ook mogen vinden. Daar trekt de wereld zich niets van aan".
“Van alles wat ons de baas blijft tijdens ons leven, is Vader Tijd er een tegen wie al evenmin iets valt te ondernemen. Ook het tijdelijk samenwerkingsverband van moleculen dat Spaanderman heet, valt dus binnenkort onherroepelijk uiteen. Na een poosje worden een of meer van die moleculen waarschijnlijk nog wel eens door een dier, een bloem of een plant tot zich genomen en vervolgen zij daarmee hun weg door het rijk der levenden. Meer valt daar niet met zekerheid over te zeggen".
-
"Voor het overige kan ik alleen maar vurig blijven hopen, dat het mij bespaard blijft om mijn laatste jaren dement in een verzorgingstehuis te moeten slijten”.
-
Als gevolg van een hartstilstand overleed de heer Spaanderman in de nacht van zaterdag 5 op zondag 6 augustus2007 in zijn slaap.
-
Met die woorden dacht ik mijn profielschets in juni 2012 naar behoren af te kunnen sluiten en gaf ik op mijn manier weer wat ik begreep, nadat ik hem medio augustus 2007 belde of hij me nog eens te woord wilde staan. Iemand anders nam de telefoon aan en liet mij weten dat hij in het betreffende weekeinde gestorven was en dat dit zich in alle rust voltrokken had.
-
Ik verbond hier de conclusie aan, dat de oude heer in zijn slaap was heengegaan en troostte me met het idee, dat – gezien de hoge mate van aanvaarding waarmee hij in het leven stond - zo'n milde einde hem als geen ander toekwam. Bovendien zag ik er een bewijs in, dat het leven op beslissende momenten wel degelijk rechtvaardig kan zijn; ook al was hij er zelf naar eigen zeggen tenvolle van overtuigd dat rechtvaardigheid "in de praktijk van alledag niet meer dan een loos mensenbedenksel is".
-
Ik was maar al te blij voor hem, dat hij zich op dit onderdeel leek te hebben vergist. Ik wil echter niet verhelen, dat ik daar voor mezelf minstens zo'n goed gevoel aan ontleende.
-
Beide gevoelens maakten plaats voor verwarringm toen me bijna 5 jaar na dato duidelijk werd, dat ik al die tijd niet meer dan een loos mensenbedenksel gekoesterd had.
-
Want op 3 juli 2012 liet Col Prevoo mij weten:
-
"Hij was alleen thuis; mijn vrouw en ik waren weg en ook Peter, zijn andere pleegzoon, zou dat weekend niet komen. Hij voelde de dood naderen. Er is in dat weekend diverse keren een verpleegkundige bij hem geweest en een arts. De suikerspiegel in zijn bloed vloog alle kanten op, maar hij weigerde zich op te laten nemen. Ook verbood hij, dat wij of Peter gebeld werden. Op de dreiging van de huisarts, ’s zaterdags, dat hij dan waarschijnlijk dood zou gaan, heeft hij geantwoord:“Dat moet dan maar”.
-
“En zo is het gegaan. Op zondag kwam hij onder de douche vandaan. Hij heeft, na een paar stappen, in de deur van de wachtkamer (!) een hartstilstand gekregen, is levenloos in elkaar gezakt en dat was het”.
-
“In zijn buitenmaats kist, die speciaal voor hem gemaakt moest worden, lag hij er vredig bij. Zoals ik hem kende toen hij jonger was”.
-
"Sindsdien zit Spaan in mijn ziel, erg gezellig. Zover ik weet heeft hij het goed waar hij nu is".
-
Met behulp van een uitroepteken onderstreepte de heer Prevoo hoe uitzonderlijk voor zijn beleving het gebeuren was, dat zich daar op die drempel van die spreekkamer afspeelde.
-
Zelden raakte een leesteken me zo diep en zozeer. Dat (!) had op mij zo’n beetje het effect van een tijdontsteking op een fragmentatiebom. Tijdens het schrijven van deze profielschets had ik er consequent naar gestreefd om elke vorm van verdichtsel te vermijden en hield ik me van A tot Z zo exact mogelijk aan de letterlijke bewoordingen waarmee de heer Spaanderman mij het een en ander vertelde. Dat ene uitroepteken van de heer Prevoo peuterde mij pijnlijk aan mijn verstand, dat een onbewuste wens van mij op het allerlaatste moment echter toch de vader van mijn gedachten was geweest.
-
Pas nu, ruim een maand later, durf ik mij te wagen aan een poging om onder woorden te brengen welke duiding ik inmiddels voor mezelf geef aan het moment waarop de heer Spaanderman stierf. Dat doe ik schoorvoetend, al was het alleen maar om uit te sluiten, dat mijn beeldend vermogen opnieuw met me aan de haal gaat.
[
-
"EEN LOOS MENSENBEDENKSEL”
-Als gevolg van een hartstilstand overleed de heer Spaanderman in de nacht van zaterdag 5 op zondag 6 augustus
-
Met die woorden dacht ik mijn profielschets in juni 2012 naar behoren af te kunnen sluiten en gaf ik op mijn manier weer wat ik begreep, nadat ik hem medio augustus 2007 belde of hij me nog eens te woord wilde staan. Iemand anders nam de telefoon aan en liet mij weten dat hij in het betreffende weekeinde gestorven was en dat dit zich in alle rust voltrokken had.
-
Ik verbond hier de conclusie aan, dat de oude heer in zijn slaap was heengegaan en troostte me met het idee, dat – gezien de hoge mate van aanvaarding waarmee hij in het leven stond - zo'n milde einde hem als geen ander toekwam. Bovendien zag ik er een bewijs in, dat het leven op beslissende momenten wel degelijk rechtvaardig kan zijn; ook al was hij er zelf naar eigen zeggen tenvolle van overtuigd dat rechtvaardigheid "in de praktijk van alledag niet meer dan een loos mensenbedenksel is".
-
Ik was maar al te blij voor hem, dat hij zich op dit onderdeel leek te hebben vergist. Ik wil echter niet verhelen, dat ik daar voor mezelf minstens zo'n goed gevoel aan ontleende.
-
Beide gevoelens maakten plaats voor verwarringm toen me bijna 5 jaar na dato duidelijk werd, dat ik al die tijd niet meer dan een loos mensenbedenksel gekoesterd had.
-
"Dat moet dan maar".
/Want op 3 juli 2012 liet Col Prevoo mij weten:
-
"Hij was alleen thuis; mijn vrouw en ik waren weg en ook Peter, zijn andere pleegzoon, zou dat weekend niet komen. Hij voelde de dood naderen. Er is in dat weekend diverse keren een verpleegkundige bij hem geweest en een arts. De suikerspiegel in zijn bloed vloog alle kanten op, maar hij weigerde zich op te laten nemen. Ook verbood hij, dat wij of Peter gebeld werden. Op de dreiging van de huisarts, ’s zaterdags, dat hij dan waarschijnlijk dood zou gaan, heeft hij geantwoord:“Dat moet dan maar”.
-
“En zo is het gegaan. Op zondag kwam hij onder de douche vandaan. Hij heeft, na een paar stappen, in de deur van de wachtkamer (!) een hartstilstand gekregen, is levenloos in elkaar gezakt en dat was het”.
-
“In zijn buitenmaats kist, die speciaal voor hem gemaakt moest worden, lag hij er vredig bij. Zoals ik hem kende toen hij jonger was”.
-
"Sindsdien zit Spaan in mijn ziel, erg gezellig. Zover ik weet heeft hij het goed waar hij nu is".
-
“Mijn kinderen Teun en Imke missen Spaan nog steeds, ze waren bij zijn overlijden 10 en 9. De man was voor hen echt een opa. (…) Het was zo indrukwekkend hoe die grote man en die kleine kinderen elkaar simpelweg vonden in een blik, een opmerking, even bij elkaar kijken”.
-
Een uitroepteken met een tijdontsteking
- Met behulp van een uitroepteken onderstreepte de heer Prevoo hoe uitzonderlijk voor zijn beleving het gebeuren was, dat zich daar op die drempel van die spreekkamer afspeelde.
-
Zelden raakte een leesteken me zo diep en zozeer. Dat (!) had op mij zo’n beetje het effect van een tijdontsteking op een fragmentatiebom. Tijdens het schrijven van deze profielschets had ik er consequent naar gestreefd om elke vorm van verdichtsel te vermijden en hield ik me van A tot Z zo exact mogelijk aan de letterlijke bewoordingen waarmee de heer Spaanderman mij het een en ander vertelde. Dat ene uitroepteken van de heer Prevoo peuterde mij pijnlijk aan mijn verstand, dat een onbewuste wens van mij op het allerlaatste moment echter toch de vader van mijn gedachten was geweest.
-
Pas nu, ruim een maand later, durf ik mij te wagen aan een poging om onder woorden te brengen welke duiding ik inmiddels voor mezelf geef aan het moment waarop de heer Spaanderman stierf. Dat doe ik schoorvoetend, al was het alleen maar om uit te sluiten, dat mijn beeldend vermogen opnieuw met me aan de haal gaat.
[
Puur toeval of toch niet?
-
Ik gun iedereen de gedachte, dat het niet meer dan puur toeval was, dat Maarten Spaanderman uitgerekend op de drempel van zijn wachtkamer overleed. Maar als ik enkele uitspraken, die ik uit zijn mond optekende, koppel aan de feiten die de heer Prevoo mij aanreikte, neig ik toch tot een andere voorstelling van zaken.
-
Zo valt het nauwelijks te ontkennen, dat zijn terugblik:”… uiteindelijk is die wachtkamer de rode draad door mijn leven geworden” in het licht van die feiten ook iets profetisch kreeg.
-
Als graadmeter voor de vraag wanneer je je als mens volwassen mag noemen, hield hij zichzelf en anderen voor:“…in iedere gegeven situatie telkens weer vrij en zelfstandig je gedrag te bepalen”. De loop der gebeurtenissen voegde ook hier op zijn minst de mogelijkheid van een nieuwe dimensie aan toe.
-
Dat geldt niet minder voor de houding van waaruit hij reeds in betere tijden de eindigheid van het leven tegemoet trad:”Jezelf tot een volwassen mens ontwikkelen gaat voortdurend met afsterven gepaard en daarmee ook met het overwinnen van de angst voor de dood”. Zijn laatste stappen spraken wat dat betreft boekdelen. -
-
Zo valt het nauwelijks te ontkennen, dat zijn terugblik:”… uiteindelijk is die wachtkamer de rode draad door mijn leven geworden” in het licht van die feiten ook iets profetisch kreeg.
-
-
Dat geldt niet minder voor de houding van waaruit hij reeds in betere tijden de eindigheid van het leven tegemoet trad:”Jezelf tot een volwassen mens ontwikkelen gaat voortdurend met afsterven gepaard en daarmee ook met het overwinnen van de angst voor de dood”. Zijn laatste stappen spraken wat dat betreft boekdelen. -
Een kwestie van volhouden en doorstoten
-
En dan is er, naast zijn uitspraak “dat je met je wilskracht je eigen leven schept” ook nog zijn verklaring:“de wil om te winnen gaf me er (..) voldoende aardigheid in om vol te houden en door te stoten”.
-
Ook voor hem viel er vanzelfsprekend niet meer dan een Pyrrus-overwinning op de dood te behalen. Maar zijn laatste schreden lijken er toch alleszins op te wijzen, dat hij weigerde om zich bij voorbaat als verliezer gewonnen te geven. Het heeft er voor mij op zijn minst alle schijn van dat het hem, met zijn gestaalde wilskracht, gegeven was om tot het allerlaatst vol te houden en door te stoten door zelf de plek uit te kiezen waar hij het scheppingsproces van zijn leven voltooide - en dat de dood weinig anders restte dan daarin te bewilligen.
-
Bij het doorgronden en duiden van de soms raadselachtige roersels van eigen en andermans ziel ontleende de heer Spaanderman veel praktische waarde aan de rol en betekenis van symboliek. Ook al is het misschien voor velen bijna te mooi om waar te zijn, ik zal me nooit meer aan de indruk kunnen onttrekken, dat hij – in het volle besef dat hij zijn taak in dit leven had volbracht – zich doelbewust naar de drempel van zijn wachtkamer begaf om daarmee tegelijkertijd de onzichtbare drempel te overschrijden waarachter naar zijn overtuiging niets meer op hem te wachten lag.
-
Bij voorbaat geef ik graag toe: over meer dan indirect bewijs beschik ik niet. Maar dat stelt mij wel in staat om Maarten Spaanderman nu, op de dag af vijf jaar nadat hij overleed, met een gerust en dankbaar hart voorgoed vrij en los te laten.
-
Hem leerde ik waarderen als een mens uit één stuk, een man van zijn woord, tevens heer tot en met. Tot op heden was hij mijn grootste leermeester. Maar wie weet, wat mij nog wacht en met wie.
-
In de tijd die mij rest, ga ik in elk geval grondig na hoever ik met mijn wilskracht kan komen.
[-
Ook voor hem viel er vanzelfsprekend niet meer dan een Pyrrus-overwinning op de dood te behalen. Maar zijn laatste schreden lijken er toch alleszins op te wijzen, dat hij weigerde om zich bij voorbaat als verliezer gewonnen te geven. Het heeft er voor mij op zijn minst alle schijn van dat het hem, met zijn gestaalde wilskracht, gegeven was om tot het allerlaatst vol te houden en door te stoten door zelf de plek uit te kiezen waar hij het scheppingsproces van zijn leven voltooide - en dat de dood weinig anders restte dan daarin te bewilligen.
-
Bij het doorgronden en duiden van de soms raadselachtige roersels van eigen en andermans ziel ontleende de heer Spaanderman veel praktische waarde aan de rol en betekenis van symboliek. Ook al is het misschien voor velen bijna te mooi om waar te zijn, ik zal me nooit meer aan de indruk kunnen onttrekken, dat hij – in het volle besef dat hij zijn taak in dit leven had volbracht – zich doelbewust naar de drempel van zijn wachtkamer begaf om daarmee tegelijkertijd de onzichtbare drempel te overschrijden waarachter naar zijn overtuiging niets meer op hem te wachten lag.
-
Bij voorbaat geef ik graag toe: over meer dan indirect bewijs beschik ik niet. Maar dat stelt mij wel in staat om Maarten Spaanderman nu, op de dag af vijf jaar nadat hij overleed, met een gerust en dankbaar hart voorgoed vrij en los te laten.
-
Hem leerde ik waarderen als een mens uit één stuk, een man van zijn woord, tevens heer tot en met. Tot op heden was hij mijn grootste leermeester. Maar wie weet, wat mij nog wacht en met wie.
-
In de tijd die mij rest, ga ik in elk geval grondig na hoever ik met mijn wilskracht kan komen.
© 5 augustus 2012, rob kuil
[
[
=





































